*

 

Borsjt

Karin Luiten − 10/01/09, 00:00

„Ik heb het grootste gedeelte van mijn leven beweerd dat mijn moeder Russische was. Een vergissing die zij nooit belangrijk genoeg vond om te corrigeren. Na de ineenstorting van het Sovjetrijk begreep ik beter dat haar geboortegrond – de Oekraïne – een eigen land is met de bewezen pech buur te zijn van de Russen. Sindsdien heb ik ook geleerd: als een Rus niet eet, dan drinkt ‘ie en als ‘ie niet drinkt, dan huilt ‘ie.

Toen de Duitsers op 21 juli 1941 met een leger van 1 miljoen man over een front van 1100 kilometer de Sovjet Unie binnendenderden, werden ze eerst juichend binnengehaald. Die blijdschap bleek al snel misplaatst, want na afloop van een serie ranzige pogroms moest elke familie in bezet gebied één persoon afstaan voor dwangarbeid in de oorlogsindustrie of op het platteland. Op haar achttiende vertrok mijn moeder derhalve naar Duitsland, waar ze ruim drie jaar op het boerenland zou werken en waar ze tegen het slot van de oorlog mijn Amsterdamse vader ontmoette.

Na de oorlog, in de lente van 1945, bleef het spannend. Russische vrachtwagens reden bij zonsopgang langs de repatriëringskampen om stiekem zoveel mogelijk Sovjetburgers op te pikken. Dankzij de achterdocht van mijn moeder wist ze met mijn vader – die best in de Sovjet Unie wilde wonen – deze danse macabre te ontspringen. Eenmaal geacclimatiseerd in Amsterdam maakte ze regelmatig een heerlijke borsjt. Dat was zo’n beetje het enige dat restte van haar culinaire cultuur. In mijn jeugd kookte ze – zonder inburgeringcursus – alles namelijk perfect tot snot. Pas toen ik het huis uit was, ging ze lekker koken. Maar haar borsjt, die mis ik.”

mailIcon print |