*

 

Een lefgozer, die Calvijn

Emiel Hakkenes − 12/01/09, 00:00

Twee theatermakers proberen het leven, werk en denken van Johannes Calvijn invoelbaar te maken voor het publiek van de eenentwintigste eeuw. „In de kerk walmt een mist van wierook, een verstikkende deken die mensen de adem beneemt.”

Ze hebben hem het nieuws nog niet gebracht, zeggen Ferdinand Borger en Kees Posthumus, maar ergens in de buurt van Kampen wacht een professor nog een onaangename verrassing. Zijn boek namelijk – een pil, ongetwijfeld zijn theologische levenswerk – dient als decorstuk in de voorstelling ’Calvijn op bezoek’ van acteur Borger en verhalenverteller Posthumus. En dan niet slechts één exemplaar van het boek, maar tientallen. Soms doen de theatermakers alsof ze in de boeken lezen, maar ze smijten ze ook op de grond, slepen ermee over het toneel en gaan er bovenop staan. „We gaan de voorstelling vast ook nog wel in Kampen spelen”, lacht Borger. „Dan moeten we de professor vooraf maar even inlichten.”

Op verzoek van de Protestantse Kerk in Nederland maakten Borger en Posthumus een theatermonoloog (ze spelen ombeurten) over leven en werk van Johannes Calvijn. Bij diens vijfhonderdste geboortejaar leek een toneelstuk de kerk een geschikt middel om een gesprek op gang te brengen over de wortels van het protestantisme en de actuele betekenis van Calvijn. De voorstelling ging vrijdag in Amsterdam in première en kan door protestantse gemeenten in het land worden geboekt.

Nog even over die boeken. De aandachtige toeschouwer, zegt Kees Posthumus, zal zien dat ze gedurende de hele voorstelling open blijven. „Daarmee drukken wij uit dat het boek van het calvinisme niet meer dicht kan.”

De voorstelling speelt zich af op zeven momenten in het leven Calvijn. Zo wordt het publiek deelgenoot gemaakt van Calvijns groeiende ongenoegen over het functioneren van de rooms-katholieke kerk. „Het woelt in mij”, zegt de reformator. „En niet alleen in mij. Er is een geest losgebroken die zich langzaam meester maakt van de mensen. We zien onrustig uit naar een nieuwe tijd. Er is een verlangen naar eenvoud, naar zuiverheid en oprechtheid, naar het rechte staan voor God.” En, vervolgt hij: „De kerk heeft God verduisterd achter voorschriften en regels waaraan mensen dienen te gehoorzamen. In de kerk walmt een mist van wierook, een verstikkende deken die mensen de adem beneemt.”

„Ik vind het wel een lefgozer, die Calvijn”, zegt Posthumus. „Hij nam het op tegen de rooms-katholieke kerk, het machtigste instituut van zijn tijd.”

Borger: „Aanvankelijk kon ik me niet goed voorstellen wat er zo interessant aan Calvijn is. Maar ik ben hem sympathieker gaan vinden. Zijn gedrevenheid vind ik prachtig. Dat mis ik wel eens bij mensen van onze tijd. Maar gedrevenheid moet geen fanatisme worden. En dat had Calvijn óók: fanatieke, fundamentalistische trekken.”

Hét voorbeeld van Calvijns fanatisme is de executie van Michel Servet in oktober 1553. Op belangrijke punten was Servet het oneens met Calvijn, wat hij openlijk uitdroeg. Calvijn op zijn beurt vond Servets opvattingen godslasterlijk en strafbaar. In de voorstelling noemt Calvijn Servet een ’losgeslagen wilde’. „Kameleonachtig wezen, spuit ongemerkt zijn gif. Sart, pest, verleidt en brengt met zijn ideeën dit werelddeel aan de rand van de afgrond.”

Als Servet op zeker moment bij Calvijn in de kerk zit, wordt hij herkend. Calvijn geeft hem aan bij de autoriteiten. „Ik doe mijn plicht”, zegt de reformator. Servet eindigt op de brandstapel.

Posthumus: „Als je leest wat er is geschreven over de zaak-Servet, lijken er twee mogelijkheden te zijn. Ofwel de kwestie wordt afgedaan als een bedrijfsongeval, ofwel Calvijn wordt weggezet als een intolerante fundamentalist. Wij laten Calvijn zelf aan het woord, we leven ons in in zijn overwegingen. Servet werd gezocht en Calvijn gaf hem aan. Als hij nu zou leven, stuurde hij waarschijnlijk een sms naar ’Meld misdaad anoniem’. Ik kan daar wel in meegaan.”

Borger: „Meen je dat? Daarmee maak je het wel klein. Ik vind dat Calvijn hier fout was.”

De kern van Calvijns leven en werk is volgens Posthumus de denkkracht van de reformator. „Hij dácht. Helder en systematisch. Dat gebeurt veel te weinig meer. Eerst iets roepen en dan pas denken, zo gaat het tegenwoordig, kijk maar naar Wilders of Verdonk.”

Borger: „En toch is het ook tragisch allemaal. Want die nadruk op zelfstandig denken, op zelf de Bijbel lezen, is helemaal uit de hand gelopen. De ene calvinist weet het nog weer beter dan de andere. Scheuren en splitsen, daar kunnen protestanten wat van.”

Calvijn erkent dat zelf ook in de voorstelling. „De mensen beschuldigen mij van ketterij en scheurmakerij”, zegt hij in de slotscène, waarin hij verantwoording aflegt aan God. „Mijn vurige ijver voor de eenheid van uw kerk, slechts bijeengehouden door uw waarheid, stelde mijn geweten helemaal gerust. De turbulente gevolgen ervan, buiten mijn schuld, kunnen mij toch niet worden aangewreven?” De reformator besluit: „Ik dwaalde niet,ik ging de rechte weg.”

Na die woorden nemen de theatermakers en hun regisseuse het applaus in ontvangst. Dat komt wat voorzichtig op gang, maar als op de voorste rij synodepreses Gerrit de Fijter opstaat uit zijn stoel volgt alsnog een staande ovatie. Buiten de zaal is er een receptie met hapjes en een glaasje Zuid-Afrikaanse Calvijnwijn.

Daar duikt de protestantse scriba Arjan Plaisier op tussen het publiek. Hij vond ’Calvijn op bezoek’ een evenwichtige voorstelling, zegt hij. „Er was een goede balans tussen de lichte zijden van Calvijn en zijn schaduwkant.”

Plaisier nipt aan zijn wijn en kijkt bedenkelijk. „Een nogal stroef wijntje. Precies wat je verwacht bij Calvijn.”

mailIcon print |