*

 

Waarom is een bonus weigeren zo slecht?

Sebastien Valkenberg − 15/01/09, 00:00

’Ik krijg hier niet één euro voor en terecht", zei hij ferm. Aan het woord is Michiel Boersma, bestuursvoorzitter van Essent. Zijn bedrijf is zojuist voor bijna tien miljard euro verkocht aan de Duitse energiereus RWE. Maar Boersma houdt zelf geen cent over aan deze deal.

Dat we het maar weten!

Terwijl ik het helemaal niet hoef te weten. Andermans salaris gaat mij niet aan.

Desondanks begrijp ik de woorden van Boersma wel. Tegenwoordig is elke bonus van elke bestuurder onderwerp van debat. Alhoewel, debat? De uitkomst ervan staat bij voorbaat al vast: niet uitkeren, die bonussen. De huidige teneur is zelfs dat ze eigenlijk helemaal zouden moeten worden afgeschaft.

De hoogste tijd voor een charmeoffensief dus. Zo werd het een trend onder bestuurders om en plein public rekenschap af te leggen van hun bonus. Echt goede sier maak je natuurlijk pas als je die gewoon weigert. De afgelopen weken hebben we velen dit gebaar zien maken. Voor je het weet ben je immers de nationale kop van jut.

Ik begrijp dat er, gezien het gure klimaat voor de beroepsgroep, weinig anders opzat dan van deze beloningen af te zien. Maar de verschillende topbestuurders deden het toch maar mooi. Tienduizenden euro’s lieten ze liggen, soms zelfs meer.

En toch. Zulke gestes missen hun hun uitwerking op mij. En dat heeft niet te maken met het feit dat van serieuze derving van inkomsten nauwelijks sprake is als je basisloon al acht ton per jaar bedraagt. Net zoals mijn waardering niet wordt gehinderd door de forse dosis opportunisme die hier in het spel is.

Allemaal randzaken. Wat er mis was met het gebaar, was het gebaar zelf. Men zag vrijwillig van zijn bonus af – en juist die vrijwilligheid is een wolf in schaapskleren. Zij brengt niet de beoogde generositeit voort. Het lukte mij niet grootmoedigheid te ontwaren, het hele gebaar had eerder iets pathetisch.

Vergeef me de boude vergelijking, maar het ritueel van ’Zie mij eens nobel zijn’ deed mij nog het meest denken aan de wijze waarop despoten in een genereuze bui besluiten tot vrijlating van hun politieke tegenstanders. Een enkel handgebaar en die hebben hun vrijheid terug.

Het eindresultaat ziet er wellicht aantrekkelijk uit. Mensen die onterecht vastzaten, krijgen hun vrijheid terug – nou dan? Helemaal waar. Maar waarom zaten ze überhaupt vast? Als despoten gul worden, zeker als het de vrijheid van hun onderdanen betreft, is waakzaamheid geboden. Machthebbers zouden niet gul hoeven zijn. Beter nog: politieke systemen moeten zo zijn ingericht dat het lot van de bevolking onafhankelijk is van de grillen van een enkeling.

Als zulke vrijgevigheid iets aantoont dan is dat dus niet de tijdelijke goedheid van despoten, maar de rotheid van het systeem. Soms kan die teniet worden gedaan, bijvoorbeeld door het verlenen van gratie. Maar welbeschouwd leggen zulke wenken des te schrijnender bloot dát er in de eerste plaats iets te repareren valt.

Iets dergelijks bewerkstelligt ook de weigering van bonussen. Een teken van goede wil? Misschien. Maar aan die goede sier hangt een duur prijskaartje. Ze parasiteert namelijk op een beloningssysteem dat in de kern blijkbaar niet deugt.

Laat er geen misverstand over bestaan: ik draag zulke extraatjes in beginsel een warm hart toe. Ze kunnen aanzetten tot excellentie. Maar dan moet er wel een verband bestaan tussen de geleverde prestaties en de beloning daarvan. Zolang bestuurlijk Nederland uit vrije wil zijn bonussen, bij wijze van goedmakertje, terugstort, mogen we vermoeden dat het aan zo’n verband ontbreekt.

mailIcon print |