De schilderijen van Tjebbe Beekman laten de scherpe maatschappelijke tegenstellingen in de moderne metropool zien.
Zelf moet Tjebbe Beekman (Leiden, 1972) nog steeds wennen aan zijn status van aanstormend schilder. ’Helemaal te gek’ vindt hij het dat zijn doeken zo royaal worden gepresenteerd in een museum. „Elke keer als ik mijn werk hier zie hangen, sta ik te genieten”, zegt hij, terwijl hij rondloopt door de twee grote zalen van het GEM, museum voor actuele kunst in Den Haag. Hij zegt het zonder een spoor van arrogantie of zelfgenoegzaamheid, lijkt eerder verbaasd over zijn succes. Om de opening van zijn eerste museale solotentoonstelling mee te maken is de schilder overgekomen uit Berlijn, waar hij sinds zeven jaar woont en werkt.
Al een aantal jaren kan Beekman leven van zijn schilderkunst. Een ongekende luxe vindt hij het om zich ongestoord te kunnen wijden aan zijn vrije werk. Aanvankelijk moest hij in zijn onderhoud voorzien met het schilderen van portretten in opdracht. „Ook niet verkeerd, hoor, maar ik ervoer dat wel als een doodlopende straat.”
Na zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag zag het er niet naar uit dat Beekman zich zou ontpoppen tot een schilder van formaat. De omslag kwam een jaar of vijf geleden, toen hij kort achter elkaar drie reizen maakte die grote indruk op hem maakten. Eerst naar New York – „Daar wilde ik meteen gaan wonen” –, toen naar Taipeh in Taiwan – „Een waanzinnige stad” – en vervolgens naar Caïro. Hij maakte er heel veel foto’s. Thuis spreidde hij die uit op de vloer van zijn atelier, componeerde daar een collage van en maakte er vervolgens een schilderij van. Het was een soort voorloper van zijn latere werk Palast (2005), dat tot zijn definitieve doorbraak zou leiden. Het schilderij waarin hij de beelden van New York, Taipeh en Caïro had verwerkt, was totaal anders dan de pop-artcollages die hij tot die tijd maakte. „Ik kwam op iets uit wat ik nog niet had gezien. Maar ik had er meteen het gevoel bij dat ik hierop moest doorgaan.”
Toen hij zich vervolgens opnieuw aanmeldde voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar hij een paar jaar eerder was afgewezen, gaf dit schilderij de doorslag. En vanaf dat moment kwam alles in een stroomversnelling, vertelt hij. „Ik kreeg een atelier, geld en adviseurs. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk de twee jaren op de Rijksakademie voor mijn ontwikkeling zijn geweest.”
Samen met zijn vriendin Berber had hij toen al besloten toch maar niet in New York te gaan wonen. „Zij staat wat meer met beide benen op de grond en vroeg zich af waar we van zouden moeten leven in die dure stad. Een vriend attendeerde ons op Berlijn en toen we daar gingen kijken, viel alles op z’n plek. De energie van New York, de grootstedelijke dynamiek, rauwheid, een rijk kunstleven, alles was daar. In Amsterdam voelde ik me beperkt, opgesloten, in Berlijn is alles nog mogelijk. Die stad knalt. Ik heb daar nu een geweldig groot atelier, dat als ik dat in Amsterdam al zou kunnen vinden, niet te betalen zou zijn.”
Ook op schilderkunstig gebied viel in Berlijn alles op z’n plek. Flatgebouwen, winkelcentra, vervallen fabriekshallen en andere grotestadstaferelen domineren sindsdien zijn mozaïekachtige schilderijen, waarin de kleuren grijs en zwart de boventoon voeren. Over al zijn doeken ligt een donker waas, ze hebben iets sinisters. Je wordt er niet vrolijk van als je er naar kijkt, maar ze zijn zo intrigerend dat je blik er automatisch naar toe getrokken wordt.
Een karakteristiek werk uit de eerste periode in Berlijn is Palast (2005), waarvoor hij het Sozialpalast, een voormalig grensgebouw in het westerse district van Schöneberg in Berlijn als voorbeeld had genomen. Hij beeldde een aantal etages van het vervallen gebouw af: rijen ramen, slechts af en toe doorbroken door de ronde vormen van satellietschotels. In de manier waarop hij de verf (vaak in dikke klodders en met zand gemengd) op het doek heeft gesmeerd, wilde Beekman de dynamiek van het leven in een metropool tot uitdrukking brengen.
Het stramien waarmee hij dit doek maakte, zette hij door in zijn volgende werken. Voor de eerste opzet van een schilderij gaat hij altijd fotoshoppen. Daarna legt hij het doek op de grond om het met verf, verschillende lakken, zand, touwtjes, ijzerdraad en ander afvalmateriaal te bewerken. „Delen van het schilderij breek ik weer af en daar borduur ik dan op verder. Ik verpest het met opzet omdat ik dan gedwongen word om intuïtiever te werk te gaan.” Mensen komen in zijn schilderijen nauwelijks zichtbaar voor, hooguit als vage contouren achter oplichtende beeldschermen. Nog maar één keer beeldde hij een echt mens af, al moet je er wel goed voor kijken om hem te vinden op het kolossale schilderij Stock Exchange. Ergens links onderin staat een dikke bankier met stropdas.
In zijn meest recente werk, dat centraal staat op de tentoonstelling in Den Haag, heeft hij het thema stadsgezichten verder uitgediept. „Er waren mensen die mijn werk met Breitner vergeleken, maar daar ben ik helemaal niet mee bezig. Maar het heeft me wel aangespoord om na te denken over een context.”
Met zijn schilderijen wil Beekman verhalen vertellen over het leven in de moderne metropool, met zijn steeds snellere technologie en scherpere maatschappelijke tegenstellingen die ertoe leiden dat er steeds meer ’begrenzingen’, ’capsules’ komen die mensen een gevoel van veiligheid moeten geven. De term capsules ontleende hij aan het boek ’De capsulaire beschaving. Over de stad in het tijdperk van angst’ van Lieven DeCauter. Beekman: „Er komen steeds meer capsules waarin we ons veilig moeten wanen. Dan denk ik aan de winkelcentra met hun eigen beveiligingsdiensten, aan camera’s en beeldschermen die ons overal bewaken, aan afgegrendelde wooncomplexen voor de welgestelden en vinexwijken die veiligheid suggereren, maar ook aan de auto waarin we ons kunnen terugtrekken als in een cocon.” Zijn gedachten legde hij vast in een ’beeldbank’ van zeventig schetsen van ’capsulaire fenomenen’, die hij vervolgens heeft verwerkt tot een aantal imponerende schilderijen. Eén ervan, Control Room, laat een verduisterde bunkerachtige ruimte zien, waarin beeldschermen blauw oplichten. De vage mensfiguren achter de schermen suggereren dat ze vanuit hun controlekamer alles in de gaten houden in de onveilige buitenwereld. Maar het is een schijnveiligheid en zelfs in die controlekamer is het niet pluis. De verlatenheid spat van het doek af.
Het moeilijkste is nog, zegt Beekman, om er niet duimendik bovenop te leggen wat hij wil zeggen met zijn schilderijen. „Want ik wil geen pamfletten maken. Dan maak je kunst die niet beklijft en over een paar jaar zijn zeggingskracht heeft verloren.” Niet alleen het leven in de moderne metropool, ook het dagelijkse nieuws is een inspiratiebron. De benoeming van Obama tot president van Amerika en diens rede deden hem meteen naar zijn verfkwasten grijpen. „Het gevoel dat die redevoering teweegbracht in de wereld, zie dat maar eens in verf te vertalen.” Ook Geert Wilders, die volgens hem de samenleving verdeelt in twee kampen, inspireerde hem tot een schilderij. Maar zijn ’allerbeste’ schilderij maakte hij na de geboorte van zijn zoon Illya, inmiddels zestien maanden oud. De bevalling, in een oud DDR-ziekenhuis in Berlijn, duurde dagen en eindigde in een keizersnede. „Het was echt horror daar in die Aussi-ellende, ook al was het personeel erg vriendelijk.” Het indrukwekkende schilderij van het naargeestige, afgebladderde ziekenhuisinterieur met een stalen bed heeft een prominente plek op de expositie. Er hebben zich al diverse kopers voor gemeld, onder wie het Haags Gemeentemuseum, kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh en de Amerikaanse acteur Dennis Hopper. Tjebbe Beekman: „Mijn galeriehouder was behoorlijk opgewonden dat Hopper het wilde kopen. Maar dat gebeurt niet. Illya’s Birthroom is niet te koop, het is van Illya.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.