opinie Vanwege een plotseling geboortegolfje in mijn omgeving legde ik afgelopen weekend liefst twee kraamvisites af. Twee versgebakken jongetjes, Abel en Luuk genaamd.
Hun namen zaten wat mij betreft nog niet helemaal goed vast, ze hadden net zo goed Luuk en Abel kunnen heten, of Koos en Herbert. Het duurt altijd even voor namen hechten, maar dan laten ze ook niet snel meer los. Ik geloof dat wijzelf indertijd nog even over de volgorde van de namen bij onze tweeling hebben geaarzeld, eerst Eva en dan Sarah of andersom?
Maar nu het eenmaal de tweede mogelijkheid werd is het volstrekt ondenkbaar dat Sarah Eva zou heten. Zo kan ik me van mijzelf niet voorstellen dat ik eigenlijk Jan zou heten of Richard. Of ik tevreden ben met mijn naam is een tweede, maar hij hoort onverbrekelijk bij me. Namen zijn de kortste weg naar een persoonlijkheid. In het dagelijks leven gebruiken we ze om direct te weten over wie of waarover we het hebben.
Ook namen van instituten of gemeenschappen werken zo. Hamas, je weet direct waar je aan toe bent, Gazprom, V & D. Het handige aan namen is dat je ze gemakkelijk met anderen deelt, het nadeel is dan weer dat ze de conversatie vervlakken, alsof Hamas maar één ondeelbaar ding is en V & D een winkel zonder verdere toelichting. In mijn tweede dichtbundel, Gedichten 2 geheten, van dertig jaar terug, staat op de flaptekst abusievelijk Bob Schouten in plaats van Rob Schouten. Bob, Bob... bevreemd zuig ik op die nabije, toch zo heel andere naam. Als ik iets niet heet is het wel Bob, zo lijkt het. In mijn jeugd had je een zwemmer die Bob Schoutsen heette, en dat lijkt best een eerbare associatie, toch denk ik eerder aan iets diks en bols.
Ook Bob Dylan en Bob Ross kunnen mij niet op andere gedachten brengen. Ik heet geen Bob en ik wil het niet heten. Krijg ik zo’n exemplaar van Gedichten 2 in handen dan probeer ik de onderkant van de B altijd open te krabben. Dit alles brengt ons bij de vraag wat Bob toch moge betekenen. Sinds een aantal jaren kennen we hem uit het verkeer, als de niet-drinkende feestganger die ons thuisbrengt. Hij is over komen waaien uit België, maar waar zijn naam vandaan komt? Het is een van de raadsels van onze tijd. Woordwichelaars hebben er wel een afkorting in gezien, voor ’bewust onbeschonken bestuurder’ of iets dergelijks, maar dat schijnt een verzinsel te zijn. Bob is gewoon een naam die past bij zo’n aardige figuur die zichzelf voor zijn vrienden opoffert.
En omdat die rol idealiter rouleert hebben we het over ’de Bob’ en vervolgens ook ’bobben’: bob jij of bob ik. Zou ik, als ik werkelijk Bob heette, ook steeds nuchter mijn beschonken vrienden thuis moeten brengen? Ik kijk in de wiegjes van Abel en Luuk. Nu héten ze alleen nog maar zo, omdat hun ouders ze toevallig zo genoemd hebben, maar straks zíjn ze ook Abel en Luuk. En voor degenen die dit allemaal onzin vinden, probeer maar eens: Froukje Halsema, Mats van Nieuwkerk, Koos Zwagerman, Bobby Obama. What’s in a name, luidt de traditionele vraag. Het antwoord moet zijn: zo’n beetje alles.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.