*

 

Jet Kraemer 1932-2008

Leo van Steensel − 12/01/09, 00:00

Haar vader maakte een onuitwisbare indruk op haar. Jet Kraemer was tien toen ze afscheid van hem ging nemen: Hendrik Kraemer zou gefusilleerd worden. Maar dat ging niet door. Het wakkerde haar optimisme aan.

Henriëtte Kraemer, roepnaam Jet, was in Soerakarta geboren, in het toenmalige Nederlands Indië. Ze was de dochter van de zendingstheoloog Hendrik Kraemer. Die was toen uitgezonden als vertaler voor het Nederlands Bijbelgenootschap. Het zendingsinstituut van de PKN-kerk draagt nog steeds zijn naam.

Voor Jet, de jongste van de vier kinderen, was haar vader haar leidraad en geweten. Van hem leerde Jet onafhankelijk te denken en zich te verzetten als dat nodig was, ook als dat offers vroeg. In de Tweede Wereldoorlog zag ze als meisje van tien dat hij onvermoeibaar langs kerkelijke gemeenten reisde, de mensen oppepte en zei dat ze niet bang moesten zijn. In 1942 werd hij opgepakt en gevangengezet in het gijzelaarskamp in Sint Michielsgestel. Nooit zou ze vergeten dat ze met haar moeder daar naartoe afreisde om afscheid van hem te nemen: hij zou worden gefusilleerd. Ze was trots op zijn principiële houding en zijn onwil om op te geven. Zijn plotselinge vrijlating voelde ze als een wonder en wakkerde haar optimisme aan. Haar vader leefde haar voor vertrouwen in God te hebben, dat het uiteindelijk wel goed komt. ’Hij was mijn idool’, zei ze over hem. Ze vond het prachtig als anderen een anekdote over hem vertelden.

Voor haar moeder moest Jet, een slank meisje met dunne vlechtjes, vooral zorgen. Die was vaak depressief. Jet was haar moeders moeder, zou ze later in een interview zeggen.

Na de oorlog vertrokken de Kraemers naar Zwitserland waar haar vader de eerste directeur werd van het Oecumenisch Instituut van de Wereldraad van Kerken. Jet deed er een Frans eindexamen op de internationale school.

Als ze ergens binnenkwam, kon je niet om haar heen. Ze was van kinds af aan een persoonlijkheid, viel op door haar scherpe, heldere geest en was niet op haar mondje gevallen. Ze ging sociale psychologie studeren in Amsterdam. Bij huisgenoten kon ze binnenvallen met de uitroep ’Nu begrijp ik Kant’ en legde de filosoof dan in drie zinnen uit. Ze was geen feestganger, had al snel verkering en volgde met een onvoltooide opleiding haar echtgenoot, die onderzoek ging doen in Princeton. Daar werd dochter Gabriella geboren.

Toen haar man ging werken aan de American University in Cairo raakte ze betrokken bij de twee thema’s die altijd belangrijk voor haar zouden blijven: vrouwenemancipatie en de Palestijnse kwestie. Ze leerde in Cairo niet alleen Arabisch, ze leerde ook de situatie in het Midden Oosten kennen. Sommige mensen waren bang van haar kritische blik.

Haar zoon Iskander wordt geboren, haar vader overlijdt, ze scheidt van haar man en verhuist als gescheiden moeder naar Parijs. Daar gaat ze werken voor Cimade, de Franse protestantse diaconale vluchtelingenorganistatie. Na zes jaar verhuist ze terug naar Nederland en vindt na een paar jaar in andere banen werk bij ontwikkelingsorganisatie Icco, waar ze zich tot haar pensionering inzet voor het Midden-Oosten en vrouwenrechten.

Ze hertrouwt en gaat in Zeist wonen, waar de lekkere maaltijden aan haar keukentafel, maar ook de gepeperde tafelgesprekken, faam genieten. Na haar vervroegde pensioen zet ze zich in voor PaIs, de Midden-Oosten werkgroep van de Raad van Kerken. Welk geloof je ook beleed, in het Midden-Oosten kon ze met alle geloven meevoelen. Met haar oecumenische opvoeding en uitgebreide netwerk weet ze de Israël-discussie in de kerk te voeren.

Als in 2002 haar tweede echtgenoot overlijdt en bij haar longemfyseem wordt geconstateerd, verhuist ze naar Amsterdam om weer onder de mensen te zijn. Daarmee lost ze een oude afspraak met een huisgenoot uit haar studietijd in, om als alleenstaanden weer bij elkaar in de buurt te gaan wonen. Ze wordt ook direct lid van de Wouw: de ’wijze oude wijven’, een club waar maatschappijkritische vrouwen elkaar treffen. Ze initieert er het project ’Baas in eigen zorg’, een interviewbundel waarin vrouwen naar hun zelfstandigheid wordt gevraagd wanneer het lijf niet meer wil. Niet dat ze er zelf moeite mee had om hulp te vragen. ’C’est la vie’ zei ze dan, maar ze moest het wel leren. Zei ook altijd sorry wanneer ze te laat kwam aanzetten in haar scootmobiel. Ze raakte thuis in de protestantse Keizersgrachtkerk, maar liet zich de laatste jaren weinig in de diensten zien, omdat ze steeds afhankelijker werd van het zuurstofapparaat thuis. In plaats daarvan schreef ze geregeld in het kerkblad over boeken die haar hadden geraakt. In november nog schreef ze naar aanleiding van een boek over een Palestijns vredesinitiatief. Ze wilde dat de dominee het boekje zou promoten en het op de lectuurtafel in de kerk zou leggen.

mailIcon print |