Is het zo slecht gesteld met de vrouwen in de kunst, dat het Centre Pompidou in Parijs binnenkort een jaar lang vrouwenkunst toont? Experts juichen de actie toe, maar vinden ook dat het tijd is voor een mentaliteitsverandering.
Meer dan de helft van de afgestudeerden aan de beeldende-kunstopleidingen in Nederland is vrouw. Dat is al geruime tijd zo. Maar in de galeries en musea is het gros van de exposities nog altijd gewijd aan mannelijke kunstenaars. En musea blijven in hun aankoopbeleid een sterke voorkeur houden voor schilderijen van mannen. Ook liggen de prijzen van kunst van vrouwen gemiddeld nog altijd veel lager dan die van mannen.
Maken vrouwen slechtere kunst dan mannen? Ontbreekt het hun aan netwerken? Of komt dit voort uit het diep verankerde idee dat mannen en vrouwen wezenlijk van elkaar verschillen en hun kunstwerken daarom ook verschillend worden beoordeeld? Of ligt het toch aan de vrouwen zelf? Niet in de zin dat ze minder talentvol zijn, maar misschien wel minder gedreven helemaal voor de kunst te gaan.
Dat zijn heel veel vragen, waarop al evenveel uiteenlopende reacties komen. Het komt helemaal goed met de vrouwen in de kunst, klinkt het bij de kunstacademies. Kwestie van tijd. Maar anderen denken dat vrouwen altijd in de achterhoede blijven als er geen speciale acties komen, zoals nu Centre Pompidou in Parijs gaat doen. Dit wereldberoemde museum wil structureel meer aandacht besteden aan vrouwen in de kunst. Zo stelt het museum vanaf 27 mei de helft van zijn expositieruimte beschikbaar voor vijfhonderd werken uit de 20ste en 21ste eeuw van tweehonderd vrouwelijke kunstenaars van over de hele wereld. Nu is slechts 17 procent van de kunst in Centre Pompidou van de hand van vrouwen. Directeur Alfred Pacquement spreekt van een uniek project. Geen museum heeft dit volgens hem ooit gedaan.
Deze borstklopperij slaat nergens op, reageert conservator Mirjam Westen van het Museum voor moderne kunst in Arnhem, „Het werd hoog tijd dat Centre Pompidou z’n beleid aanpast, want daar is veel kritiek op. Uniek is het ook niet, in Arnhem doen we dat al sinds de jaren tachtig.”
Ook Tate Modern in Londen ging Centre Pompidou voor. In 2007 kondigde Tate aan dat het wilde gaan werken aan een beter evenwicht in de collectie door meer werk aan te kopen van vrouwelijke beeldhouwers en schilders. Onder de 2914 kunstenaars die toen waren vertegenwoordigd in de collectie waren slechts 348 vrouwen. Slechts twee van de 39 grote kunstwerken die het museum in de twee voorafgaande jaren had aangekocht, waren gemaakt door vrouwen: de Britse Tracey Emin en de Spaanse Christina Iglesias.
Het vrouwvriendelijke beleid bij het museum in Arnhem is ingevoerd door oud-directeur Liesbeth Brandt Corstius. Daarin was ze een eenling, en nog steeds staat het Arnhemse museum daarin vrijwel alleen. „Ik ben al jaren weg, de emancipatie is voortgeschreden, maar er is weinig tot niets veranderd”, constateert zij.
Maar overdrijven Brandt Corstius en Westen niet een beetje? Het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen wijdde vorig jaar een overzichtstentoonstelling aan Charley Toorop, die drommen bezoekers op de been bracht. En nu mag al weer een vrouw, Pipilotti Rist, een groot deel van de expositieruimte vullen. Het Chabot Museum in Rotterdam bracht een expositie over Paula Modersohn en het Haags Gemeentemuseum haalde Helene Schjerfbeck voor het voetlicht. In het Drents Museum is een mooie mix van vrouwen en mannen te zien op de expositie over de Leipziger Schule. En het Museum Kranenburg in Bergen pakt helemaal uit met een groepstentoonstelling van veertien vrouwelijke kunstschilders uit de jaren twintig. Het museum had zelfs moeite met selecteren, zoveel goede kunstenaressen waren er.
Volgens Liesbeth Brandt Corstius brengen de meeste musea deze exposities niet uit overtuiging, maar vooral uit opportunistische overwegingen. „Ze hebben nog iets in de collectie waarmee ze wat kunnen doen of kunnen goedkoop een expositie krijgen. Er zit geen beleid achter.” Het voornemen van Centre Pompidou juicht ze dan ook toe, omdat dat andere musea kan stimuleren tot een evenwichtiger vertegenwoordiging van de seksen. Ook Mirjam Westen meent dat campagnes nodig zijn voor een mentaliteitsverandering. „De kwaliteit is er en dat moet ook altijd voorop staan, maar vanzelf verandert er niets.”
Kunstschilderessen trouwden vaak met kunstenaars of waren de minnares van hun leermeester, maar wie denkt dat het er in het vrijgevochten kunstenaarsmilieu een stuk geëmancipeerder aan toe ging dan elders, vergist zich. De tentoonstelling over kunstenaarsechtparen, in het Haags Gemeentemuseum, leert dat tot ver in de twintigste eeuw in de meeste relaties de vrouw, ook als ze meer talent had, inschikte voor de man. Al zijn er natuurlijk uitzonderingen, zoals Otto en Paula Modersohn en Jean Tinguely en Nikki de Saint Phalle.
Die ’last’ van het verleden vindt zijn weerslag in de collecties van de musea. Maar volgens Johan van Oord, hoofd beeldende kunst van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en tevens kunstschilder, komt het ook zonder campagnes vanzelf goed met de vertegenwoordiging van vrouwelijke kunstenaars in de collecties en exposities van musea. Al enkele jaren worden de kunstopleidingen in Nederland overspoeld met vrouwen. Op zijn eigen afdeling is het aandeel mannen en vrouwen in evenwicht, waarbij de vrouwen zelfs een licht overwicht hebben.
Dat neemt niet weg dat extra maatregelen soms nodig zijn. Toen Van Oord zeven jaar geleden hoofd werd van zijn afdeling, waren de meeste docenten mannen. „Dat vond ik niet in overeenstemming met ons studentenaanbod, dat voor de helft uit vrouwen bestaat. Bij vacatures heb ik stelselmatig een vrouw benoemd, en ik heb nooit het probleem gehad dat er geen gekwalificeerde docentes waren. Van de 25 docenten op 140 studenten is 40 procent een vrouw.”
Maar meer nog dan het benoemen van vrouwen op cruciale posten, wordt de opmars van vrouwen in de schilderkunst in positieve zin beïnvloed door de veranderingen in het kunstenaarschap zelf, benadrukt Van Oord. Ze zijn er nog wel, de excentriekelingen die afgezonderd in hun atelier verf op het doek smijten, indachtig het gezegde van Karel Appel: Ik rotzooi maar wat aan. „Die uitspraak heeft een ongelooflijke impact gehad. En in die tijd deed je als kunstenaar ook niet veel meer dan schilderen en met je doeken naar een galerie gaan om een afspraak te maken voor een expositie. Nu is er sprake van een nieuw kunstenaarstype. Natuurlijk staat of valt alles nog steeds met het aanwezig zijn van een origineel talent, maar daarmee ben je er niet. Het vak is een stuk professioneler geworden. In onze opleiding proberen we kunstenaars af te leveren die zelf een eigen podium scheppen, die midden in de samenleving staan en zich daar niet van afzonderen. En dat is natuurlijk veel meer op het lijf geschreven van vrouwen. Die zijn nu eenmaal socialer en zullen zich ook minder snel van de wereld afsluiten in een atelier, omdat ze zich verantwoordelijk voelen en omdat ze kinderen krijgen.”
Het verhogen van het intellectuele niveau van de kunstenaar is ook belangrijker geworden in de opleidingen, zegt Van Oord. „Vrouwen zijn vaak enorm gedreven, wat ook een vereiste is om een internationale carrière op te bouwen. De inhaalslag is dus al gedaan, al zijn de effecten in de musea nog niet overal zichtbaar. Maar het komt helemaal goed met de vrouwen. Weet je wie het echt moeilijk gaan krijgen? Dat zijn de oudere kunstenaars, inderdaad, vooral mannen van boven de 45.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.