Barack Obama’s gloedvolle toespraken doen de welsprekendheid van Nederlandse politici verbleken. Zijn wij inderdaad zulke beroerde sprekers? En: hoe worden wij beter?
Een zes. Soms misschien een zeventje. Dat is het rapportcijfer dat Susanne Gerritsen geeft aan de gemiddelde spreker in Nederland, die enige ervaring heeft met presenteren, die niet staat te broddelen, maar vaak toch ’een wat mager’ verhaal houdt.
„Het is allemaal net-an”, zegt Gerritsen. ,,Ik zie bijvoorbeeld iemand een lezing geven met plaatjesdie hij al tien keer heeft gebruikt zodat er geen spanning meer in zijn verhaal zit. Of ik zie een spreker die wel charisma heeft, maar zich slecht heeft voorbereid. Dan denk ik: het kan je kennelijk niet veel schelen, dus waarom zou jouw verhaal de luisteraar veel kunnen schelen?”
Gerritsen is taalbeheerser en trainer, en publiceerde vorige maand ’Een goed verhaal’. Haar boek gaat over spreken in het openbaar; over ’overbrengen en overkomen’ in lezingen, presentaties en vergaderingen. De vaardigheden die daarbij komen kijken, zijn tegenwoordig in bijna alle banen belangrijk: we communiceren, vergaderen, polderen, overleggen, brainstormen en congresseren meer dan ooit tevoren.
Maar waarom staan wij, ook in het buitenland, dan toch bekend als schutteraars, mompelaars of – op z’n best – als saaie sprekers? Waarom steekt Balkenende zo bleekjes af bij Obama?
„Nederlanders zijn dialectisch sterk”, zegt Gerritsen. „Ze zijn dus goed in argumenteren. Ze hebben altijd, op een wat bijdehante manier, wel een weerwoord. Maar charisma, charme en entertainment in het spreken ontbreken vaak volledig. Een verhaal zó presenteren dat je de ander echt bereikt, daar is te weinig aandacht voor. We denken dat het om de inhoud gaat, niet om de verpakking. En we gaan vooral niet ons hoofd boven het maaiveld uitsteken; dat vinden we maar aanstelleritis.”
De Leidse taalbeheerser en retorica-expert Jaap de Jong analyseerde onlangs de toespraken van Barack Obama. Hij looft ’s mans welsprekendheid. Obama’s toespraken steken in elkaar als composities van Bach, aldus De Jong. Daarbij vergeleken vindt hij de betogen van Geert Wilders een soort carnavalsschlagers: vol herhaalde overstatements, zonder nuanceringen.
In onze cultuur wordt welsprekendheid niet zo belangrijk gevonden, zegt De Jong spijtig. ,,Als Balkenende moet reageren op 80 vragen van de Kamer bij de algemene beschouwingen, kun je hem nauwelijks kwalijk nemen dat hij vooral bezig is met het afraffelen van antwoorden die zijn ambtenaren hebben verzonnen. Tegelijkertijd denk ik: wat doen we onszelf áán dat we dat in onze vaderlandse debatkamer laten gebeuren?”
In politieke debatten, die niet geheel zijn voorgekookt, wil het nog wel eens vonken, ziet De Jong. Maar Nederlandse toespraken en lezingen, vindt ook hij, zijn meestal ’heel middelmatig’. „Dat vind ik erg jammer. We zijn tevreden met een minister-president die in 90 procent van zijn spreekbeurten niet overtuigend is in zijn spreekvaardigheid. Inhoudelijk is het niet slecht, maar originele, mooie, gedenkwaardige toespraken houdt hij bijna niet. Zijn voorgangers evenmin. Kok was geen goed spreker, en van Lubbers hebben we vooral het ’Lubberiaans’ onthouden: wollige, ondoorgrondelijke zinnen en lezingen.”
Balkenende is eigenlijk zo’n typisch Nederlandse spreker, zegt Gerritsen. Iemand die best kan argumenteren; die vanuit de inhoud en vanuit redelijkheid probeert te spreken. „Maar veel mensen zien dat niet eens omdat de verpakking niet aantrekkelijk is. Het is allemaal vrij zwaar en droog; mensen vinden dat doorgaans niet leuk om lang naar te luisteren. Iets meer flair zou al heel mooi zijn. Ik heb het idee dat hem dat nu helemaal niet interesseert.”
Het is een les voor iedere spreker, ook als die niet het land bestuurt maar bijvoorbeeld een zaal vol collega’s of een clubhuis vol teamgenoten toespreekt: enige jeu, flair, charme of enthousiasme is gewoon nodig om een boodschap over te brengen. Het goede nieuws is dat dit (gedeeltelijk) valt te leren.
Het is nodig omdat er zovéél verhalen worden gehouden, zegt Gerritsen. „Wanneer jij als spreker van mij verwacht dat ik mijn kostbare tijd besteed aan het luisteren naar jouw presentatie, beloon me daar dan ook voor. Niet met een kabbelend, maar met een spannend, enthousiast, goed opgebouwd verhaal. Dan sorteer je ook sneller effect: dan zijn mensen het met je eens, of zet je hen aan het denken. Daarom sta je daar toch ook? Je wilt iets bereiken.”
Ja, het is nodig om op de ’verpakking’ te letten, zegt ook De Jong, want mensen zijn niet alleen gevoelig voor de inhoud en argumentatie (de ’logos’) van een verhaal. Een spreker heeft pas echt effect als hij ook inspeelt op de emoties van het publiek (de ’pathos’) en als hij de troefkaart van zijn eigen geloofwaardigheid speelt (zijn ’ethos’). „Wij doen daar altijd wat lacherig over en denken dat het toch vooral om de inhoud gaat. Maar Obama laat zien dat stevige inhoud én fraaie vorm samen kunnen gaan, en samen veel meer effect hebben. In zijn toespraken weet hij ethos, pathos en logos in balans te houden.”
Dat is dan ook een van de belangrijkste adviezen van De Jong aan iedere spreker: let erop dat je lezing of presentatie altijd die drie klassieke elementen bevat. Dat valt zeker te leren, zegt hij. „Een portie talent is meegenomen, maar met veel oefenen kun je ook een heel eind komen. De meeste sprekers moeten rijpen. Jan Marijnissen was vroeger te negatief, te arbeideristisch; nu is hij een goede spreker die ook bruggen kan bouwen.”
Iedereen is in staat om een aardige presentatie te geven, zegt ook Gerritsen. „Na wat tips, wat oefenen en een paar keer presenteren lukt het altijd wel om een technisch goed verhaal te houden. Dat bevat een prikkelende inleiding, een middenstuk met een paar heldere argumenten en een slot dat alles nog even samenvat. Toch is dat niet genoeg. Probeer iets meer te doen. Vraag je af: hoe krijg ik de mensen op het puntje van hun stoel?”
Daar zijn allerlei instrumenten voor, die zij ook in haar boek beschrijft. Zoals een ’attentum’, een aandachttrekker aan het begin van de lezing. „Een kennis van mij moest laatst een presentatie houden voor een organisatie die nogal onzichtbaar is in Nederland. Zij had als attentum een gordijn meegenomen; daar was ze aan het begin van haar lezing achter gaan staan. Heel onNederlands, om dat te durven, maar het sloeg wel enorm aan.”
Lees eens een boek over spreken in het openbaar, adviseren beide deskundigen. Volg een cursus: er zijn er talloze. Onderschat het niet, waarschuwt Gerritsen: een goede presentatie moet je goed voorbereiden. Laten we daarmee beginnen op de basisschool, stelt De Jong voor, die erop wijst hoe Amerikaanse schoolkinderen beroemde toespraken van presidenten uit het hoofd leren. „Ik hoop dat er in ons onderwijs bredere aandacht komt voor retorica. Ik ben daar optimistisch over, nu Obama hiervoor zelfs in onze poldercultuur een ongekend groot enthousiasme heeft gewekt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.