*

 

De nee-stem had iets potsierlijks

Jan Kleinnijenhuis − 13/02/09, 00:00

De Fortis-belegger had bij de ontmanteling niets te verliezen. Doordat de overheid het risico afdekt, was het veilig gokken op een betere deal.

  • (Trouw)
  • De Belgische minister van financiën Didier Reynders wordt geïnterviewd na de aandeelhoudersvergadering van Fortis, woensdag in Brussel. (FOTO BELGA )

„De bank valt niet om als er wordt tegengestemd”, zei advocaat Adriaan de Gier voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering woensdag in Brussel. Dat laat de Belgische overheid immers niet gebeuren, redeneerde de raadsman die een schare kleine Fortisbeleggers vertegenwoordigt in hun strijd om compensatie voor geleden verliezen. Waarom zouden aandeelhouders die dreiging dan in hun stemgedrag meewegen?

De advocaat sloeg daarmee de spijker op de kop. Aandeelhouders die woensdag hun oordeel mochten uitspreken over de opdeling van Fortis, hoefden volgens de regels van het spel daarbij geen rekening te houden met andere belangen: van spaarders, schuldeisers, of het maatschappelijk en economisch belang van het voortbestaan van de grootste bank van België. Een oproep van één van de experts van de Belgische regering om die belangen wel mee te wegen, werd weg gejoeld.

Bekeken vanuit het perspectief van de kleine aandeelhouder is de nee-stem volkomen begrijpelijk. Wat heeft hij na de ontmanteling van het concern nog te verliezen? Scheidend Fortis-voorzitter Hessels waarschuwde voor een faillissement, maar de Belgische overheid had al lang duidelijk gemaakt dat niet te laten gebeuren. Minister-president Van Rompuy herhaalde dat gisteren in het Belgische parlement.

Door de oorspronkelijke overeenkomst met BNP Paribas uit oktober later te heronderhandelen had de regering bovendien al laten zien gevoelig te zijn voor de verliezen van de aandeelhouder. Onder deze omstandigheden kon deze zonder risico zijn woede de vrije loop laten.

Maar redenerend vanuit het collectief van de aandeelhouders had de nee-stem iets potsierlijks. In het geval van een faillissement is de aandeelhouder doorgaans de eerste die zijn geld kwijtraakt. Maar in de wetenschap dat de overheid dat risico afdekt, is het betrekkelijk veilig te gokken op een betere deal met BNP Paribas, de Belgische of de Nederlandse overheid. De eventuele kosten komen immers voor rekening van de maatschappij, de winsten gaan naar de aandeelhouders.

Het plaatst overheden in deze discussie voor een dilemma. Het maatschappelijk belang staat bij hen voorop: het betalingsverkeer in een land moet doorgaan, spaarders mogen niet zomaar hun geld kwijtraken. De belangen van aandeelhouders lopen bij een dreigend faillissement parallel aan die van de maatschappij. Maar betekent dit dat overheden zich dan ook verantwoordelijk moeten voelen voor de belangen van de beleggers?

Vergelijk het bankbedrijf met een koekjesfabriek. Wanneer de fabriek failliet gaat, zijn aandeelhouders de laatste in de rij om geld uit de boedel te krijgen. De aandeelhouder loopt het grootste risico en krijgt daarvoor het hoogste rendement. Overheden zullen hier niet inspringen om de beleggers te beschermen. Dat maakt de positie van aandeelhouders in een bankbedrijf een bijzondere: zij zijn eigenaren van een bedrijf met een belangrijk maatschappelijk nut. Dat roept de vraag op of de bancaire sector geschikt is om op basis van aandeelhoudersprimaat te organiseren.

Voor die vraag zien overheden zich wereldwijd gesteld. In een interview met Trouw in december vorig jaar zei Wouter Bos dat hij de banken liever niet zou nationaliseren: de meest vergaande vorm om publieke belangen te garanderen. Deze kunnen op een andere manier worden gewaarborgd, aldus de minister. De vraag op welke manier was voor Bos destijds nog niet aan de orde – hij was druk doende het financiële systeem draaiende te houden. De situatie bij Fortis toont echter dat politici die vraag snel onder ogen moeten zien.

mailIcon print |