Waarom trekt het oorlogje dat in Gaza woedt zoveel aandacht ? Terwijl er toch talloze andere gruwelijke brandhaarden zijn met eindeloos veel meer slachtoffers? Volgens historicus Jan Dirk Snel is er maar één antwoord mogelijk, ook voor seculieren: „Dit is het Heilige Land, het land van de Bijbel.”
’Operatie Gegoten Lood’ noemden de Israëliërs het oorlogje dat ze op zaterdag 27 december tegen Hamas in Gaza begonnen. Uiteraard was ook deze actie maandenlang voorbereid, maar dat ze begon op een zaterdag, sabbat, was toch een verrassing, vooral als je bedenkt dat een religieuze partij, Sjas, altijd nog deel uitmaakt van de regeringscoalitie. Israëlische acties plegen keurig op zondag, dag één, zoals dat in het Hebreeuws heet, te beginnen. Dit keer dus niet.
Het was de zesde dag van Chanoeka, het feest van de lichtjes, dat de herinwijding van de tempel in Jeruzalem door Jehoeda de Makkabeeër in 164 voor Christus gedenkt en dat in de laatste eeuwen vanwege de lichtsymboliek een soort joodse parallel van het kerstfeest is geworden. De Makkabeeërs waren het overigens die tot de slotsom kwamen dat joden zich ook op de zevende dag rustig met het zwaard mochten verdedigen.
De naam komt uit een Chanoekaliedje van de nationale dichter Chaim Nachman Bialik (1873-1934), die het ruim een eeuw geleden schreef, een kinderliedje. Vader steekt de kaarsen aan, moeder maakt een pannekoek, oom schenkt een oude munt en de leraar, die geeft een dreidel cadeau, een vierkante tol die speciaal bij Chanoeka hoort, nog wel eentje van ’gegoten lood’, de fraaiste die er is. Op elke zijde staat een letter. Samen betekenen ze: ’Een groot wonder geschiedde hier’.
Sinds die zaterdag twee weken geleden beheerst het conflict rond Gaza het nieuws. Toevallig heb ik bijna alle dagen zitten werken met de tv aan op nieuwszender CNN en je kunt rustig zeggen dat het oorlogje de rode draad vormt, met een eigen logo, de vaste achtergrond waartegen dan ook de rest van het wereldgebeuren tussendoor nog kort gemeld kan worden. Het vormt het middelpunt van het nieuws. De kern.
Maar waarom eigenlijk?
Natuurlijk, oorlog is erg. En elke dode is er een te veel. Misschien kun je zelfs zeggen dat de verhouding tussen Israël en Gaza iets heeft van wat de mythische oerfiguur Lamech in Genesis tegen zijn twee vrouwen snoeft:
„Ada en Silla, hoor wat ik zeg!
Vrouwen van Lamech, luister naar mij!
Wie mij verwondt, die sla ik dood,
zelfs wie mij maar een striem toebrengt.
Kaïn wordt zevenmaal gewroken,
Lamech zevenenzeventigmaal.”
Wellicht zijn de verhoudingen in dit geval nog iets verder zoek: ongeveer honderd Palestijnse doden op één Israëlische dode.
Maar toch. Dat verklaart nog steeds al die aandacht niet, want ondanks alle gruwelen blijft het op wereldschaal een heel klein conflictje. In Congo werden recentelijk 250.000 mensen van huis en haard verdreven. En sinds 1998 zijn daar meer dan vijf miljoen mensen gedood. Ik herhaal: meer dan vijf miljoen. Beter is nog de vergelijking met de Tsjetsjeense stad Grozny waar door Russisch ingrijpen in de jaren negentig duizenden burgers stierven. En wat te denken van Darfur? Bijna alle militaire conflicten, die het nieuws soms maar net halen, zijn ernstiger en kennen meer doden. Waarom dan toch al die aandacht voor Israël en Gaza?
Er is maar één antwoord mogelijk: dit is het Heilige Land, het land van de Bijbel. Dit is het centrum van de wereld.
Er bestaat een prachtige gestileerde kaart van de wereld uit de zestiende eeuw: Heinrich Bünting uit Hannover beeldde rond 1581 de wereld af overeenkomstig het wapen van zijn stad, als een klaverblad. Drie werelddelen vormen drie gelijkvormige blaadjes. Onderaan ligt Afrika, linksboven Europa en rechtsboven Azië. Aan een verre rand rijst een stukje Amerika op uit het water. Maar het gaat om de cirkel in het midden: de stad Jeruzalem.
Imaginaire cartografie schijnt dat te heten. Een uiting van verbeelding. Ja natuurlijk, maar dat is niet alles. Het gaat om symboliek die ook nu nog leeft. Dit is geen verouderd wereldbeeld. Het is het beeld dat ook in seculiere geesten, die nog nooit een Bijbel hebben opengeslagen, volop leeft.
Nog steeds beheerst de christelijke, lineaire opvatting het algemene beeld van de geschiedenis. Je hebt een begin, een midden en een eind. De schepping die mensen zich ooit zesduizend jaar geleden voorstelden mag dan vervangen zijn door een oerknal 13,7 miljard jaar geleden en de laatste dag mag dan plaatsgemaakt hebben voor het – nog steeds apocalyptische – beeld van een nucleaire catastrofe, het gaat om dezelfde, lijnmatige voorstelling en nog steeds staat het optreden van Jezus in het midden. Elke datum is aan hem gerelateerd. We hebben de geschiedenis ingedeeld in eeuwen voor en na hem.
De geografie volgt de chronologie. Jezus’ kruis stond in Jeruzalem, mogelijk op de plaats waar nu de Heilige Grafkerk staat. Met zekerheid zette hij zijn voetstappen op de Tempelberg, de Haram as-Sjarief, het plateau waarop nu de Rotskoepel staat, schitterend door het goud – het gezicht op Jeruzalem dat iedereen kent en dat christenen en moslims wonderlijk genoeg gezamenlijk koesteren. Dit is ook in onze beleving het centrum van de grootste landmassa op de aardbol.
Precies daar ligt de kleine Joodse beschaving, omringd door de islamitische wereld die van Marokko tot Pakistan een groot aaneengesloten blok vormt, omgeven in het Noordwesten en het Zuiden door de Latijnse christenheid van Europa en Afrika, in het Noordoosten de oosterse orthodoxie en in het Oosten de grote culturen van het hindoeïsme, het confucianisme en ook het boeddhisme.
Simpel misschien, maar de kracht van dergelijke symboliek moet je niet onderschatten.
Alleen de symboliek, de mythologie zo je wilt, kan de aandacht verklaren. Andere ter zake doende verklaringen zijn er niet. O ja, vaak klinkt de bewering dat het Heilige Land toch zo’n strategische betekenis heeft. Onzin. Flauwekul. Belangrijke of zeldzame grondstoffen zijn er niet te halen. Libanon doet er op wereldschaal ook niet toe. De Israëlische economie mag in haar eentje, mede dankzij Amerikaanse steun en eigen technologische inventiviteit, die van Jordanië, Libanon en Syrië bij elkaar overtreffen, groot is ze nog steeds niet. Economisch en strategisch kan de wereld, ook de westerse en Amerikaanse, goed zonder Israël, heel goed zelfs, en de relaties met de grote olieleveranciers zouden er de voorbije decennia zelf heel wat eenvoudiger door zijn geworden.
Toen de Britse minister van buitenlandse zaken, Arthur Balfour, in 1917 zijn befaamde verklaring afgaf, waarin hij de Joden een eigen Nationaal Tehuis in Palestina toezegde, was hij zich er volkomen van bewust dat hij op dat moment niet de belangen van het Verenigd Koninkrijk diende, maar er tegenin ging en de zaken ingewikkelder maakte. Zijn ondergeschikten, de ambtenaren op het ministerie, verzonnen vervolgens allerlei slimme verklaringen waarom de toezegging de Britse belangen diende en ze geloofden dat ook oprecht. Lord Balfour zelf wist wel beter. Hij vond domweg dat de Joden een eigen plaats verdienden. Dat was alles.
De Joden zijn het volk van de Bijbel en hun heilige boek is door het christendom overgenomen. Van alle nationale goden uit de Oudheid heeft alleen de God van Israël, JHWH, de geschiedenis overleefd. Hij is de God van de christenen geworden. En het unieke van de christelijke beschaving is dat de oorsprong buiten het eigen leefgebied ligt. In een grote cirkel van Ethiopië, het Afrika beneden de Sahara, over de Amerika’s van Vuurland tot Groenland en vandaar via Europa tot aan Wladiwostok is de geografie van het Heilige Land vertrouwd.
Veel kinderen leren op school het kaartje met links de kust van de Middellandse Zee en rechts het streepje met de Jordaan en de ovalen van het Meer van Galilea in het Noorden en de Dode Zee in het Zuiden even goed kennen als de topografie van hun eigen land. Toen de schrijver Schalom Ben-Chorin, ooit geboren als Fritz Rosenthal, in de jaren vijftig of zestig de grens bij Flensburg passeerde, kon de douanier niet geloven dat iemand werkelijk in Jeruzalem, hem als hemelse voorstelling zo bekend, kon wonen – een bijna onwaarschijnlijk verhaal, maar indicatief voor de krachtige klank die de naam oproept.
Van die westerse, in oorsprong christelijke wereld vormen de christelijke Verenigde Staten de machtige leider en dus is daar alle aandacht vanzelfsprekend op het kleine Joodse land gericht. Zo’n twee jaar geleden trok het boek van de Amerikaanse politicologen John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt over ’The Israel Lobby and U.S. Foreign Policy’ de aandacht. De auteurs probeerden de Amerikaanse steun aan de Joodse staat te verklaren. Hun stelling was eenvoudig: Amerikanen staan in meerderheid weliswaar achter Israël, maar Amerikaanse politici vrijwel unaniem. Die discrepantie, in feite niet veel meer dan een verschil in percentages, probeerden ze te verklaren. Ze meenden deze te vinden in een effectieve lobby, waar ze op zichzelf overigens geen kwaad woord van wilden zeggen.
Uiteindelijk was het ook eenvoudig: de lobby trof een vruchtbare bodem aan. In een politiek systeem waar elke gekozene steunt op een meerderheid, zal hij die meerderheid volgen en zo uitvergroten. En de meerderheid van het Amerikaanse volk voelt nu eenmaal vanwege de christelijke achtergrond een sympathie voor het Joodse volk en Israël.
Begin deze week probeerde Mohammed Benzakour in NRC Handelsblad de westerse volgzaamheid, de ’blinde lethargie’, zoals hij het omschreef, ten opzichte van de Israëlische politiek te verklaren uit een nog steeds onverwerkt schuldgevoel over de Shoah (of Holocaust), de moord op zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog in het hart van de christelijke beschaving. Ineens zou het westerse universalisme dat overal mensenrechten wil verbreiden, plaats maken voor particularisme, uit schaamte over het eigen duistere verleden. Uiteraard speelt dat een rol, maar het ligt dieper.
Natuurlijk speelt Israël in de buitenlandse politiek de kaart van de Jodenmoord. Een bezoek aan Jad-Vasjem, het gedachteniscentrum in Jeruzalem, is een standaardonderdeel bij de ontvangst van buitenlandse politici. Maar intern beschouwen de Israëliërs hun staat niet als een antwoord op de Jodenvervolging, hoezeer de internationale reactie daarop ook de totstandkoming in 1948 mag hebben bespoedigd. Een groot deel van de bevolking, de helft ongeveer, heeft trouwens een sefardische achtergrond en is afkomstig uit Arabische landen als Irak, Jemen of Marokko. Het Israëlische nationale historische verhaal is dat van de alijah, de ’opgang’ naar het land Erets Jisraeel: de immigratiegolven die rond 1881 begonnen bij de grote pogroms die in Rusland woedden.
Nog tot een eeuw geleden leefde driekwart van de Joden in het oosten van Europa, vooral in Rusland, binnen een officieel in 1804 door een tsaristische ordonnantie vastgesteld vestigingsgebied, beter bekend in het Engels als de Pale of Settlement. Het was een erfenis van de drie Poolse delingen tussen 1772 en 1795. Aan het eind van de Middeleeuwen en het begin van de vroegmoderne tijd hadden de Europese Joden in meerderheid een veilige plaats gevonden binnen het Litouws-Poolse Gemenebest, de Rzeczpospolita, de grootste en tolerantste Europese staat van die dagen. Die Joden raakten in de negentiende eeuw steeds meer in de verdrukking.
Tegelijkertijd vormden ze een van de vele nationale minderheden in Midden- en Oost-Europa, evenals de Polen, de Litouwers, de Slowaken en vele andere volkeren binnen de grenzen van twee grote multiculturele rijken, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. In talloze steden van Vilnius tot Thessaloniki vormden ze een beeldbepalende gemeenschap, soms waren ze zelfs in de meerderheid.
Na de Eerste Wereldoorlog kregen veel van die groepen hun eigen staat, met alle etnische zuiveringen van dien. Ineens waren de Joden minderheden binnen de nieuwe natiestaten die een strook van Finland tot Joegoslavië vormden. Andere vroegere minderheden waren meerderheden geworden die deze overblijvende minderheid graag kwijtraakten. Dat vergrootte de kwetsbaarheid, toen de nazi’s binnenvielen.
Voor de Oost-Europese Joden lag een eigen staat in Europa niet in het verschiet. Hun verlangen richtte zich op Zion. Al in 1862 schreef de radicale socialist Moses Hess zijn boek ’Rom und Jerusalem’. Hij was een van de vele stemmen. Het zionisme bestond al lang voor Theodor Herzl in 1897 met een groot congres in Bazel de beweging een krachtige organisatie verschafte.
Uiteindelijk zouden de Joden niet zoals de andere minderheden na de Grote Oorlog een eigen staat in Europa krijgen, maar pas een oorlog later, na de grote catastrofe die hen door toedoen van de nazi’s trof. En die staat lag elders. Al vanaf de negentiende eeuw begonnen ze met de opbouw in Palestina; na de Eerste Wereldoorlog versnelden zich ook daar de ontwikkelingen. Het moderne Tel Aviv, de woonplaats van genoemde dichter Bialik, schoot uit de grond. De oprichting van die staat in 1948 ontwortelde ook de Joodse gemeenschappen die al sinds de Babylonische ballingschap (586 voor Christus) een diaspora vormden en onder het Osmaanse Rijk in het milletsysteem (een vorm van zelfbestuur) als getolereerde minderheden met tweederangs rechten floreerden. Zij vonden onverhoeds de moderniteit in de nieuwe zionistische staat.
Dit is het Israëlische zelfbeeld. En dit is de identiteit die de christelijke wereld sindsdien half bewust aanvaardt, mede vanwege de civil religion van het ’Nooit meer Auschwitz’, maar zeker ook door de gemeenschappelijke religieuze betrokkenheid bij het kleine Heilige Land. De Shoah zette oude percepties in een ander licht. Sinds decennia praten we over de joods-christelijke traditie in plaats van over de christelijke, hoewel er van concrete joodse inbreng nooit werkelijk sprake is geweest. De christelijke kijk op de eigen geschiedenis is gehistoriseerd. In achttiende-eeuwse boeken begon de kerk gewoon bij Adam en Eva of anders wel bij Abraham. Maar nu beseft het christendom, hoe geseculariseerd ook, dat het geënt is op een joodse stam. De christelijke religie wordt beleefd als een loot van het jodendom.
Dit is de achtergrond. De Joodse staat is onderdeel van onze wereld geworden. En de traditie van de Latijnse christenheid en de seculiere draai die daar sinds de Verlichting aan werd gegeven, herkennen zich uitstekend in het seculiere zionisme waarop Israël is gebouwd. Er kan veel kritiek zijn op het concrete Israëlische optreden, als minister van buitenlandse zaken Tsipi Livni of minister van defensie Ehoed Barak hun beslissingen verdedigen op CNN of voor andere tv-camera’s, dan begrijpt de hele westerse wereld hun manier van argumenteren, zelfs als je het met ze oneens bent.
Het conflict tussen Israël en Hamas is geen massieve strijd tussen twee culturele blokken, maar er is wel degelijk sprake van een culturele scheidslijn tussen twee eenheden. Hoe groot het mededogen met de Palestijnen ook mag zijn, hoezeer we de wanhoop van de bijeengedreven en opgesloten inwoners van de Gazastrook ook herkennen, echt begrijpen doen we ze toch niet.
In NRC Handelsblad portretteerde Guus Valk vorige week twee Hamascommandanten. Eentje schoot raketten op Israël af, maar hij hoopte oprecht dat hij niemand raakte. Niemand gunde hij het om te sterven. Maar waarom schoot hij ze dan af? Uit machteloosheid natuurlijk, omdat hij geen andere opties zag. Maar waarom kiest hij dan geen effectievere vormen van protest?
Het verschil tussen Israël, de Joodse meerderheid althans die die staat vormgeeft, en de Palestijnen is niet alleen politiek, maar vooral sociologisch. De Israëlische maatschappij is westers, democratisch en open. Bij gelegenheid vechten ze elkaar de tent uit. Maar zodra zich een crisis voordoet, sluiten de gelederen zich. Vrijwillig.
De Palestijnse maatschappij telt vele hoogopgeleiden, maar de maatschappelijke structuren zijn verouderd, feodaal nog vaak, herkenbaar aan het hoog opgeven over de gehechtheid aan de bodem. Toen de Israëliërs op zaterdag 27 december hun acties begonnen, gingen de winkeltjes in de soek van de oude stad van Jeruzalem een voor een dicht – niet spontaan, maar omdat het zoals altijd van bovenaf afgedwongen werd. Het is een maatschappij met grote sociale controle en onvrijheid.
We kunnen nog zoveel begrip hebben voor het Palestijnse lijden en nog zoveel kritiek op de disproportionaliteit van het Israëlische optreden, het beslissende punt blijft dat we met de Israëliërs in gemeenschappelijke termen kunnen bekvechten, terwijl de Palestijnen vreemdelingen blijven. Zielig misschien, maar toch vreemdelingen.
Ook dit verhaal laat de andere zijde buiten beschouwing, het besef van de oemma, de islamitische wereldgemeenschap, die wel degelijk bestaat, waar we wel weet van hebben, maar die we toch meestal niet zien, eenvoudigweg omdat ze zo weinig effectief is.
Het conflict in het Midden-Oosten is klein en de oplossing is eenvoudig: land delen, Jeruzalem de gezamenlijke ongedeelde hoofdstad van Israël en van de Palestijnse staat, een symbolisch recht op Palestijnse terugkeer erkennen, dat alleen door financiële vergoedingen afgekocht kan worden, en een gemeenschappelijke economische zone aan beide zijden van de Jordaan. Praktisch valt een al zestig jaar slepend conflict zo op te lossen en dat zal ook moeten gebeuren.
Maar alleen kijken naar praktische problemen en oplossingen ontneemt ons het zicht op de redenen van de wereldwijde betrokkenheid bij een minuscuul conflict. Die ligt in de geschiedenis, in de verhalen en mythen die onze identiteit bepalen. Je kunt dat irrationeel noemen, het is de werkelijkheid. Het is onze werkelijkheid en die van een groot deel van de wereld.
Want het gaat om de strijd om het centrum van de wereld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.