De plot van Kochs nieuwe roman staat als een huis. Maar soms gaat zijn slimme spel met de verwachting van de lezer ten koste van de aandacht voor zijn personages.
Als iemand in het eerste bedrijf van een toneelstuk een pistool laat zien, kun je er donder op zeggen dat er in het laatste bedrijf mee zal worden geschoten. Die oude toneelwet heeft Herman Koch goed in de vingers; in zijn nieuwe roman ’Het Diner’ lijkt hij hem zelfs te parodiĆ«ren.
Ik-figuur Paul Lohman dineert in een chique restaurant met zijn vrouw, broer en schoonzus en moet aan die toneelwet denken als zijn broer Serge de wijn proeft. Serge, een ijdele, populaire oppositieleider, wil graag de wijnkenner uithangen, maar keurt een wijn goed die al in de keuken is opengetrokken en waar dus mee gerommeld kan zijn. Paul weet zeker dat zijn mooie schoonzus Babette op dat moment een dodelijke opmerking inslikt. „En toch was er iets gebeurd dat mij de hoop deed behouden op een explosie later op de avond.” Die explosie komt er inderdaad; en het wapen is een wijnglas.
Het is niet de enige keer dat Koch de bovengenoemde wet van het drama naleeft. Vrijwel alles wat de verteller opwerpt, krijgt ook een vervolg. Dat hij zo moppert. Dat zijn vrouw intelligenter is dan hij. Dat de schoonzus betraande ogen heeft. Dat zijn populaire broer een eigen en een geadopteerde zoon heeft, tussen wie hij geen onderscheid wil maken. Alles speelt een rol in de ontknoping. Bovendien heeft Paul stiekem in de mobiele telefoon van zijn zoon gekeken en daar een vreselijk filmpje gezien, wat natuurlijk ook gevolgen krijgt: hoe moet het verder met die jongen?
Tegelijkertijd ondergraaft Koch die toneelwet ook. Beter gezegd: hij rekt hem zo ver mogelijk op, hij gebruikt hem en maakt het idee belachelijk dat aan de wet ten grondslag ligt: dat de gebeurtenissen enigszins normaal moeten verlopen, dat de plot zich op natuurlijke wijze dient te ontvouwen. Koch laat het verhaal juist ontsporen en kiest een gewelddadig, cynisch einde.
Dit alles speelt zich af tegen het rustige, toneelachtige decor van het restaurant. Je kunt het geroezemoes bijna horen. Het hele verhaal voltrekt zich rond de eettafel, op de toiletten en op de stoep van het restaurant, afgezien van een paar uitgebreide flashbacks en een korte schets van de maanden na het diner. Het boek is ook opgedeeld in afdelingen als ‘Aperitief’, ‘Hoofdgerecht’ en ‘Fooi’, wat een eenheid van plaats, tijd en handeling suggereert. Nog zo’n toneelwet.
’Het diner’ gaat dus geleidelijk van kalm naar heftig. Van een rustig verhaal over de ergerniswekkende entree van een beroemde broer naar een gewelddadig einde vol karakterzwakte en immoraliteit. Van een gemoedelijke sketch vol typetjes naar een ernstig drama. Veronderstellingen over de lijn van het verhaal blijken niet te kloppen, terwijl de plot toch gebeiteld in elkaar zit. Vakwerk.
Maar deze opzet heeft wel een nadeel: de personages verliezen hoe langer hoe meer aan geloofwaardigheid. Ze worden pionnen in het spel dat de schrijver met de structuur van zijn roman speelt.
En dat is spijtig, want ze worden aanvankelijk mooi geschetst. Over de schoonzus vermoedt Paul bijvoorbeeld dat ze nu eenmaal heeft ’ingetekend’ op een leven aan de zijde van een succesvol politicus „en dat het zonde was van alle geïnvesteerde tijd om er nu alsnog mee op te houden: zoals je een slecht boek voorbij de helft niet meer weglegt maar met tegenzin uitleest, zo was zij bij Serge gebleven – misschien dat de ontknoping nog iets goed zou maken.”
Maar zulke typeringen worden schaarser naarmate het boek vordert. Ik moest ook steeds vaker aan het tv-programma Jiskefet denken, waar Koch zo beroemd mee is geworden. Niet dat het verhaal komischer werd, maar ik kreeg wel steeds sterker het gevoel dat de personages beter gespeeld dan beschreven hadden kunnen worden. Dan staat er bijvoorbeeld: „’Ik ben zijn vrouw!’ zei Babette en ze begon weer te snikken”.
Dat neemt niet weg dat Koch – ooit begonnen als Reviaanse ouwehoer – intussen een meesterlijke plotbouwer is geworden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.