Na 1945 gingen in Amsterdam katholieken, socialisten en protestanten door elkaar wonen. Drie studies geven inzicht in de veranderende rol van de ooit verzuilde woningcorporaties die steeds commerciëler moeten werken.
Moeten woningcorporaties zich niet gewoon met het bouwen en verhuren van woningen bezighouden? Het was een veelgehoorde vraag, nadat de Rotterdamse corporatie Woonbron zich onlangs verkeek op de kosten van de verbouwing van het stoomschip Rotterdam tot luxe multifunctionele accommodatie, waar kansarme jongeren uit de wijk een leer-werktraject kunnen volgen.
Maar als de corporaties zich beperken tot bouwen en verhuren, dan is het ook weer niet goed. Dan ’zitten ze op hun geld’, en klagen politici dat ze meer maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten tonen. Bijvoorbeeld bij het opknappen van probleemwijken.
Huist de ziel van de corporatie in de stenen, of in het leven dat zich in en om die stenen afspeelt?
Het is een vraag die impliciet met ’allebei’ wordt beantwoord door drie onlangs verschenen boeken. Ze boekstaven de geschiedenissen van de traditionele ’grote drie’ woningbouwverenigingen van Amsterdam: het protestantse Patrimonium, het katholieke Het Oosten, en de sociaal-democratische AWV. De laatste twee voormalige aartsrivalen fuseerden vorig jaar met elkaar, Patrimonium was al een paar jaar geleden opgegaan in een ideologisch verwaterde fusiecorporatie.
Het zijn boeken die in een hoop opzichten verschillen. De studie van Beekers en Van der Woude is een academisch proefschrift waarin vooral de relatie tussen Patrimonium en de protestantse zuil centraal staat. Van Toorn schildert juist met zeer losse toets een persoonlijk portret van de stad Amsterdam, waarbij een woningcomplex van Het Oosten vaak niet meer dan een aanleiding is voor een stroom meanderende observaties en herinneringen. Van der Lans houdt met zijn mooi geschreven cultuurgeschiedenis van de AWV en de Amsterdamse sociaal-democratie het midden tussen de persoonlijke aanpak van Van Toorn en de institutionele van Beekers en Van der Woude.
Toch vertellen de boeken grotendeels hetzelfde verhaal, of eigenlijk twee nauw met elkaar verweven verhalen. Het eerste is dat van de woonomstandigheden in Amsterdam in de laatste anderhalve eeuw, het tweede is een geschiedenis van de politieke emancipatie van Nederland, een natie die eerst verzuild raakte, en uiteindelijk de ideologische ankers kwijt raakte.
Beide verhalen beginnen in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen Amsterdam onstuimig groeide. Tussen 1850 en 1910 steeg het inwonertal van 200.000 naar 560.000. Het was de tijd van de ’revolutiebouw’: in korte tijd werden wijken als De Pijp uit de grond gestampt, vol slechte huizen die soms tijdens de bouw alweer in elkaar stortten. Het was ook de tijd dat de elites zich zorgen begonnen te maken over de zedelijke verwording van het stedelijke proletariaat, onder invloed van de erbarmelijke woonomstandigheden. Hele families bivakkeerden op eenkamerwoningen zonder sanitair. „In een ruime en nette woning is de weg naar de hemel makkelijker te vinden dan in een krot”, citeert Van Toorn de kapelaan Alfons Ariëns.
De negentiende eeuw was de eeuw van het liberalisme, de twintigste die van het staatsingrijpen. In Nederland werd die overgang gemarkeerd door de Woningwet van 1901. Die stelde minimumeisen aan de kwaliteit van nieuw opgeleverde woningen, en verschafte de mogelijkheid aan woningbouwverenigingen om staatsfinanciering te krijgen voor nieuwe woningen.
Beekers en Van der Woude wijzen er bovendien op dat net in die tijd de charismatische leiders van het eerste uur, zoals Domela Nieuwenhuis bij de socialisten en Klaas Kater bij de gereformeerde ’kleine luyden’, plaatsmaakten voor een pragmatischer ingestelde lichting leiders. Die zagen in het bouwen van goede arbeiderswoningen een ideale manier om hun revisionisme inhoud te geven.
Rond 1910 werd dan ook de ene na de andere woningbouwvereniging opgericht, van socialistische, protestantse, of katholieke signatuur. Al snel groeide rond Amsterdam een nieuwe jaarring van bebouwing, in die specifieke, ruime bouwstijl die de wijken uit die periode zo duidelijk onderscheidt van de schil van negentiende eeuwse wijken.
Het is daarbij interessant om stil te staan bij de rol van de woningbouwverenigingen in het tot stand komen van de verzuiling. Deze drie studies suggereren dat de woningbouwverenigingen meer waren dan de zoveelste sector van de maatschappij die nou eenmaal verzuild was; je kunt namelijk ook, andersom, betogen dat ze een van de noodzakelijke elementen waren in het vormgeven van die verzuiling.
Ten eerste verschaften ze socialistische, protestantse, en katholieke arbeiders een afgebakend territorium, waar een subcultuur kon bloeien, met eigen bewonerscommissies en jaarlijkse cabaretvoorstellingen. In 2004 was de Diamantbuurt landelijk nieuws omdat Marokkaanse jongens er een gezin weg zouden hebben gepest. Van der Lans wijst erop dat het zeventig jaar eerder ondenkbaar was dat een katholiek zich überhaupt op straat zou durven vertonen in dit door de AWV neergezette socialistische stukje stad. En toen er in 1938 op de schutting van het afgebrande Paleis van Volksvlijt liberale spandoeken verschenen die de socialistische wethouder De Miranda aanvielen, was het logisch dat de bewoners van het AWV-blok aan het Transvaalplein allemaal hun lakens afstonden, en in de gezamenlijke tuin het hele weekend gebroederlijk doorwerkten aan een spandoek dat de tegenaanval opende.
Daarnaast werd juist in de woningblokken het ’gesprek tussen de klassen’ (Van Toorn) voor het eerst gevoerd. Een eenrichtingsgesprek, dat wel. Protestantse, katholieke en sociaal-democratische elites moesten hun achterban, afkomstig uit verkrotte volkswijken, ’lessen in wonen’ geven. Niet de was buiten hangen op zondag. Niet voetballen in de tuin, en er al helemaal geen kippen of konijnen houden.
Ook de inrichting van de woning moest anders: in 1933 verscheen in het tijdschrift van Patrimonium een serie artikelen die bewoners maande om de Indische kleedjes, Friese houtsnijwerkjes en andere kleinburgerlijke prullaria bij het vuilnis te zetten, en rustgevende, moderne meubels aan te schaffen.
Een tweede periode van woningnood, na de Tweede Wereldoorlog, leidde uiteindelijk tot een verwatering van de identiteit van de corporaties. De gemeente nam toen het voortouw bij de bouw van nieuwe wijken, en bij de toewijzing van woningen: socialisten, katholieken en protestanten kwamen door elkaar te wonen. Daar kwam de ontzuiling bovenop: in de jaren zestig reageerden corporatiebestuurders geschokt toen mensen zich bij meerdere woningcorporaties inschreven om de kans op een woning te vergroten. Zoiets was voor de oorlog ondenkbaar.
De corporaties kregen ook op een andere manier last van veranderende tijden. Het zat haast in hun DNA om krotten op te willen ruimen en er ruime woningen voor in de plaats te bouwen. In de jaren zestig kwamen de klassieke sociaal-democraten van de AWV daardoor in harde aanvaring met provo’s en andere nieuwlinkse figuren in de Nieuwmarkt. Die koesterden de kleinschaligheid van de binnenstad juist en verzetten zich tegen de sloopwerktuigen die hun buurt in een modernistische wensdroom vol grote flats en vierbaanswegen dreigden te veranderen.
Uiteindelijk hadden ze succes, en dwongen ze een mentaliteitsverandering af. Corporaties gingen ’bouwen voor de buurt’. Ze legden zich toe op het verbeteren van de ’leefbaarheid’ – dat laatste is inmiddels een wettelijk vastgesteld doel van corporaties, en het stamt rechtstreeks uit het provoverzet tegen de grootschalige stedenplanning.
De laatste decennia hebben de corporaties op verschillende manieren gereageerd op het feit dat hun twee traditionele doelstellingen – arbeiders huisvesten en de opvoeding van diezelfde arbeiders – inmiddels gedateerd zijn. Een belangrijke trend is om na de arbeiders te bouwen voor nieuwe doelgroepen: studenten, bejaarden, invaliden,alleenstaanden.
De AWV is het schoolvoorbeeld van een vereniging die zich in de jaren tachtig en negentig verder ’terugtrok’ in de buurt, weinig initiatieven ontplooide en slapend rijk werd.
Het Oosten ontpopte zich juist als een corporatie die zich voor allerlei gekke projecten inzette – een recent voorbeeld is het opkopen van bordelen op de Wallen, om er jonge modeontwerpers te vestigen. Directeur Frank Bijdendijk heeft zich daarbij onder andere laten inspireren door zijn contacten met de kraakbeweging, begin jaren tachtig.
Het Oosten en AWV waren in die zin gedroomde fusiebruiden. Maar de boeken van Van der Lans en Van Toorn bieden helaas nauwelijks reflectie op de fusiedrift die de corporatiewereld nu al tien jaar in de greep houdt – waarschijnlijk omdat beide boeken geschreven werden ter gelegenheid van zo’n fusie.
Beekers en Van der Woude plaatsen die ontwikkeling wel in perspectief. Zonder traditionele achterban om te bedienen, en onder invloed van wetgeving die de corporaties dwong om steeds zelfstandiger te worden, zijn de corporaties in rap tempo vercommercialiseerd. Huurders werden woonconsumenten, schaalvergroting een doel op zich.
Soms leidt het nieuwe commerciële elan in combinatie met de nog steeds aanwezige maatschappelijke verantwoordelijkheid tot mooie resultaten. Soms ook tot vervreemding. Grootschalige sloop-nieuwbouwprojecten stuiten op weerstand in de oude wijken.
De vennootschapsbelasting, die minister Bos de corporaties vorig jaar oplegde, vergrootte de druk om commercieel te werken. Onlangs maakte een kleine woningcorporatie uit Ommen bekend dat ze de mogelijkheden onderzocht om ’uit te treden’ uit het systeem van woningcorporaties. Ze gaat liever verder als commercieel vastgoedbedrijf.
Of dat kans van slagen heeft, is de vraag, maar het is een teken aan de wand. De strijd tussen maatschappelijke betrokkenheid en commerciële druk is een van de belangrijkste thema’s waar corporaties nu mee worstelen.
Een ding is zeker: wie over honderd jaar door Amsterdam loopt, kan de littekens van die strijd terug zien in de bebouwing, die kan de stad ’lezen’, zoals Van Toorn dat noemt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.