*

 

Een orkest om van te blozen

Peter van der Lint − 03/01/09, 00:00

Het Koninklijk Concertgebouworkest: oer-Hollandse kwaliteit, die ook na een verjonging overeind bleef. Onlangs werd het verkozen tot het beste orkest van de wereld. Chef-dirigent Jansons. „Muziek is geen sport van centimeters of seconden. Maar deze positie is natuurlijk wel beter dan die van ’slechtste orkest ter wereld’.”

Tijdens een ochtendrepetitie van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van chef-dirigent Mariss Jansons staat de ouverture tot Johann Strauss’ ’Die Fledermaus’ op de lessenaars.

Jansons slijpt de muziek fijn op een manier die je maar zelden hoort. Makkelijke muziek? Vergeet het maar. Over elke maat, elke dynamisch teken en elk accent wordt nagedacht. Maar Jansons, die zijn huiswerk perfect heeft gedaan, waakt voor te veel uitleg en houdt de goede balans tussen praten en spelen.

Uiteindelijk krijgt Jansons, die de musici met hun naam aanspreekt, de tweede tel van het walsritme precies zoals hij het hebben wil en roept hij uit: „Jaaaaa! Dít is echt heel goed, een bonbon, een Mozart-Kugel”. En toch komt hij daarna met nog één klein puntje waardoor de passage werkelijk vleugels krijgt. Zó klinkt de ’Fledermaus’-ouverture door het beste orkest ter wereld.

Het Britse muziektijdschrift Gramophone vroeg onlangs aan internationale muziekjournalisten om de beste orkesten wereldwijd in kaart te brengen. Die enquête leverde een lijst op met twintig orkesten, en die lijst wordt verrassend aangevoerd door het Concertgebouworkest.

Sinds vorige maand is het KCO dus het ’beste orkest ter wereld’. Geduchte concurrenten als de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker en het London Symphony Orchestra moesten op de lijst genoegen nemen met respectievelijk plaatsen twee, drie en vier.

De Rembrandt onder de orkesten blijft nuchter onder de uitverkiezing, al duikt het nieuwe predicaat op in de advertenties die het orkest nu plaatst. Eke van Spiegel, sinds twee jaar tutti-violiste in het orkest, en Jörgen van Rijen, eerste trombonist, reageren in de pauze van een repetitie inderdaad met woorden als ’nuchter’ en ’typisch Hollands’.

„We waren aan het terugkomen van een tournee toen we het nieuws hoorden, dus we waren als orkest niet echt bij elkaar”, zegt Van Rijen. „Toen we hier weer in Amsterdam waren, was er wel een grote taart”, herinnert Van Spiegel zich. „We hebben toen zitten geinen of we niet een grote 2 op die taart moesten laten spuiten om hem vervolgens naar onze collega’s in Berlijn op te sturen”.

Het bleef bij een vilein idee, want, zeggen beiden nadrukkelijk: muziek maken is geen hardloopwedstrijd. Van Rijen: „Eigenlijk zijn we er niet zo mee bezig dat we beter zijn dan de Berlijners, maar naar buiten toe, naar de politiek met name, is het wel een prachtig signaal. En hoewel het maar een subjectief lijstje is, is het ergens natuurlijk ook wel heel leuk.”

Van Spiegel vertelt dat na het bekend worden van het ’nieuws’, gastdirigenten als Kurt Masur en Iván Fischer er aan het begin van hun repetities over begonnen, en dat het dus kennelijk een ’ding’ is in de klassieke muziekwereld. „Toen Mariss Jansons weer bij ons was”, zegt Van Spiegel, „hield hij een mooie toespraak waarin hij ons op het hart drukte vooral onszelf te blijven en de kracht die we nu hebben vast te houden.”

In zijn dirigentenkamer beaamt chef-dirigent Jansons dat. „We moeten oppassen om niet te gaan overdrijven. Muziek is geen sport die meetbaar is in centimeters of seconden. Maar deze positie is natuurlijk wel beter dan die van ’slechtste orkest ter wereld’. De eerste plek is belangrijk voor de naam van het orkest en voor het prestige, voor onze plaats in de samenleving. Het Concertgebouworkest is altijd al een van de belangrijkste en beste orkesten ter wereld geweest – onder Mengelberg, onder Van Beinum, onder Haitink en onder Chailly. En ik hoop dat het dat zal blijven. Een schouderklopje heeft mensen nog nooit kwaad gedaan en in die zin is het natuurlijk prachtig.”

„Voor mij persoonlijk betekent het dat we op een goede en serieuze manier bezig zijn met ons werk en dat het moreel van het orkest in prima staat verkeert; we zitten op de goede weg. Dat serieuze en die eerlijkheid ten opzichte van de muziek, dat is echt iets van dit orkest.”

Voor Jörgen van Rijen en Eke van Spiegel zegt de nieuwe status van het orkest ook iets over de verjonging ervan. „Die verjonging heeft dus gewerkt”, zegt Van Spiegel. „Hoewel er veel oude musici weggingen, is de mentaliteit van het orkest gebleven. Ik heb het als heel gemakkelijk ervaren om in de groep te komen. De kracht van het orkest is de positieve benadering van elkaar; we laten elkaar spelen, er is ruimte voor persoonlijkheid en eigen stijl. Dat tolerante, dat is iets Amsterdams en ik geloof dat onze bijzondere klank mede door die houding ontstaat. Je zit hier met je hele hebben en houden én met je hart te spelen, en door de respons van je medemusici daarop durf je meer.”

Van Rijen herinnert zich zijn proefspel – als het ware een muzikaal sollicitatiegesprek– nog goed. „Verschrikkelijk was dat; een soort veekeuring. Het toeval wil dat we deze dagen met proefspelen voor 2de/3de trombone bezig zijn en als voorzitter van de artistieke commissie zit ik daar nu bij – aan de andere kant dan destijds dus.”

„Waar je op let? Het gaat erom de individualiteit te bewaken. Of iemand te hard of te zacht speelt, dat zijn slechts details. Je bent op zoek naar onze eigen klank en of iemand controle heeft over zijn instrument, en vooral, of iemand je met zijn spel charmeert.”

De uitverkiezing tot beste orkest heeft volgens Jansons ook mindere kanten. „Voor elke artiest is het gevaarlijk om te denken dat je het beste bent. Luiheid en onverschilligheid liggen op de loer. We moeten niet op onze lauweren gaan rusten, al denk ik niet dat dat hier, met al die jonge mensen, gauw zal gebeuren.”

Jansons heeft zich de laatste tijd hard gemaakt voor de salarissen van zijn musici, die vele malen lager liggen dan die van hun collega’s in orkesten die onder het KCO op deze ranglijst staan. De situatie is nu iets beter („psychologisch gezien erg belangrijk”, zegt de dirigent), en Jansons geeft aan dat hij eigenlijk nu niet over geld wil praten, omdat het anders zo op zeuren gaat lijken.

Desondanks lukt het dus nog steeds om jonge, en goede musici aan te trekken. Van Rijen en Van Spiegel vertellen dat de ’secundaire arbeidsvoorwaarden’ van het orkest – het prachtige Concertgebouw én een chef-dirigent van dit kaliber – voor veel musici reden zijn om toch, voor minder salaris, hier te spelen.

Jansons roert wat dat betreft nog een ander opvallend punt aan. „Op een bepaalde manier is een laag loon goed voor het moreel”, zegt hij. „Geld verwoest onze wereld. Die waanzin om steeds maar meer en meer te willen. De economische crisis waarin we nu zitten, is een waarschuwing: kijk toch uit met wat je aan het doen bent. Op een bepaald punt moet je je eigen leven analyseren en jezelf vragen: Waar ben ik mee bezig?”

„Een mens heeft veel belangrijker zaken nodig dan geld alleen. Aan het spirituele deel wordt zo vaak voorbijgegaan; mensen moeten dat echt leren ontwikkelen. Kunst en muziek zijn daar heel belangrijke hulpmiddelen bij. Die duivelse drang naar geld, dat is een catastrofe. En hier, binnen dit orkest, bewijzen we dat eigenlijk; dat je zonder een exorbitant salaris, maar met serieus werken, uitstekende resultaten bereikt – zelfs de beste kunt worden.”

Adjunct-directeur artistieke zaken is sinds 1999 de Amerikaan Joel Ethan Fried. Hoe ziet voor een toporkest als het KCO een ideaal concertprogramma of -seizoen er uit?

„Als je een programma of een seizoen samenstelt, stel je jezelf steeds de vraag voor wie je dat doet. In de eerste plaats natuurlijk voor ons publiek, of liever: publieken, omdat die in de diverse abonnementenseries nogal verschillen van elkaar. Dan zijn er de musici, en het orkest als instelling is ook belangrijk; omdat je een verantwoordelijkheid hebt naar de samenleving, moet je nieuwe muziek laten horen. Dirigenten uiteraard. Die hebben altijd zelf ideeën, dus probeer je tot een soort overlap te komen. Dan zijn er nog de organisatoren die het orkest in het buitenland uitnodigen, én de mediapartners.

„Een programma moet goed in elkaar zitten, streng dramaturgisch met een duidelijke rode draad, of gebouwd op goede contrasten. Een programma moet dan ook nog op een bepaalde manier passen in het hele seizoen. Je wilt de sterke kanten van je dirigenten en solisten goed gebruiken.”

Het werk dat Fried doet, is zoiets als schaken op één bord met meerdere schaakspelen. Hij vertelt dat hij heel vaak ’nee’ moet zeggen tegen voorstellen van gastdirigenten, omdat die bijna allemaal met een Mahler-symfonie komen aanzetten. De symfonieën van Mahler en Bruckner zijn core business van het KCO en zo mogelijk voorbehouden aan de chef-dirigent. Sommige dirigenten zijn echt niet zo soepel als je met alternatieven aankomt. Maar tegelijkertijd, zegt Fried, moet je je wel afvragen hoeveel een chef-dirigent voor zichzelf mag reserveren.

Chef-dirigent Mariss Jansons kan de eis stellen dat hijzelf een bepaalde symfonie eerst doet, waarna in een volgend seizoen een gast die symfonie kan dirigeren. Op die manier kan de chef-dirigent zijn eigen interpretatie beter aan de musici overbrengen.

De consequentie van dit alles is dat je nooit een ideaal evenwicht binnen één seizoen kunt bereiken. Fried neemt daarom de programmering van drie seizoenen als maatstaf. „Politiek is de kunst van het mogelijk maken”, zegt hij. „Bij programmering geldt eigenlijk hetzelfde. Onze chef is uiteraard belangrijk voor het gezicht van het orkest, maar dat betekent niet automatisch dat onze progressieve uitstraling van hem afhankelijk is. Hij steunt ook veel belangrijke initiatieven waarin zijn betrokkenheid minder zichtbaar is voor het publiek. Jansons laat zich vaak overtuigen, bemoeit zich met educatie en hij denkt vaker over dat soort dingen na dan de meeste dirigenten die ik ken. Hij is ernstig bezorgd over de rol van cultuur in de westerse samenleving.

„Maar in de revolutionaire programma’s zal de chef-dirigent geen grote rol kunnen spelen. Als je bij de wereldtop wilt blijven horen, dan kan dat alleen als je in het buitenland het ijzeren repertoire speelt. Ze zijn daar vaak veel conservatiever dan hier en als we ergens worden uitgenodigd, dan wil men bijna altijd dat de chef-dirigent meekomt. In Amsterdam kunnen we avontuurlijker zijn en plannen we moderne en/of Nederlandse muziek. De ene keer lukt dat beter dan de andere, maar we hebben grote dirigenten kunnen overtuigen om Nederlandse muziek te doen. Daar gaat het vaak om in mijn vak, mensen enthousiasmeren.”

Jansons geeft toe dat hij eigenlijk te weinig tijd heeft om naar Nederlandse muziek te luisteren of om die te bestuderen. „Ik luister wel naar aardig wat opnamen, maar ik hoor toch te weinig om een goeie keus te kunnen maken. Ik moet een connectie hebben met een partituur om die te kunnen dirigeren. Ik moet iets kunnen uitdrukken met muziek, anders sta ik hier alleen maar mijn job te doen, en dat wil ik niet.

„Muzikale kwaliteit heeft prioriteit. Ik heb het zo onvoorstelbaar druk, en ik probeer echt nieuwe dingen te doen, maar ik moet van mijn artsen oppassen mezelf niet te overwerken. Dat gedoe met geld voor het orkest heeft me ontzettend veel energie gekost. Eigenlijk is er altijd wel iets waardoor je niet aan uitrusten toekomt.”

Over de concertpraktijk in de toekomst is Fried positief. „Het KCO is over twintig jaar nog heel gezond”, voorspelt hij. „De concerten zien er misschien heel anders uit. Ik ben eerlijk als ik zeg dat we nog geen antwoord hebben op de veranderende samenleving, maar we zijn er druk mee bezig. De conventionele wijsheid dat hedendaagse muziek niet zou verkopen, delen wij niet, maar het is ook niet zo simpel als het vaak wordt uitgelegd. Uitgebreide projecten zoals rondom Sjostakovitsj en Messiaen zijn heel succesvol, maar spreken tegelijkertijd de wens tot balans en evenwicht tegen. Dergelijke accenten zijn nodig om buzz te genereren, zodat iemand die normaal nooit naar Messiaen of Sjostakovitsj gaat denkt: hé, daar gebeurt iets.”

mailIcon print |