*

 

De schrijver leest, speciaal voor jou

Henri Beunders − 03/01/09, 00:00

We leven in een tijd van snel-snel-snel, en toch is het luisterboek in opmars. Raar eigenlijk, want door een boek heen razen gaat dan niet. Henri Beunders verklaart deze paradoxale terugkeer naar de orale cultuur uit onze behoefte aan intimiteit: we willen direct contact met de schrijver, de schepper van wat je lief is.

In 2001 verschenen acht cd’s van een tiental Nederlandse schrijvers die korte verhalen of cursiefjes voorlazen. De titel luidde: ’Boeken voor onderweg’. Zo simpel dacht de uitgever: je rijdt van Nederland naar Frankrijk, het landschap glijdt langs je heen, en de lengte van het voorgelezen boek komt ongeveer overeen met de lengte en het gestage tempo van de lange autorit.

Het kan een verklaring zijn.

De ware reden is mysterieuzer, vooral mystieker. De luister-cd wordt immers ook in de eigen huiskamer beluisterd. En dat is curieus. We leven in een tijd van snel-snel, scannen en zappen, terwijl het luisteren naar de schrijver zelf net zolang duurt als het voorlezen ervan.

Is dit succes dus net zoiets als slow cooking, voortkomend uit de behoefte aan vertraging van het jachtige snack-leven?

Er zijn spannender verklaringen te geven. Daarvoor moeten we terug naar de bron, en dat is de menselijke stem, en de ongekende kracht en intense intimiteit ervan. En naar de enorme behoefte aan echte samensmelting met De Ander, in het geval van de luister-cd’s met De Schepper zelf.

Het lijkt een profane vervanging van de oorspronkelijke betekenis van communicatio, dat in het Latijn gemeenschap met God betekende. Het betekende ook geslachtsgemeenschap. En zo interpreteerde Gerard Reve in zijn gedichten als ’Openbaring’ en ’Paradijs’ zijn zoeken naar God ook. Het ‘Ezelsproces’ kwam er uit voort. Zijn vijfregelige gedicht ’Herkenning’ bevat ook de woorden uit de titel uit 1966:

Ik hoor mijn Moeders stem.

O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.

Bij de meeste Stemmen die we ons van vroeger herinneren en die ons toen zo raakten lag het geheim elders. De kracht van G.B.J. Hilterman’s radiopraatje ’De Toestand in de Wereld’ lag in zijn dwingende, autoritaire stem waarmee hij Alles wist te duiden. Bij Simon Carmiggelt, die zijn ’Kronkels’ op de televisie voorlas, droop de weemoedigheid van het alledaagse leven ervan af, en dit leidde tot grote identificatie bij de kijker/luisteraar. W.F. Hermans las in 1994, zonder haperen, zijn roman ’De god denkbaar, denkbaar de god’ voor op de radio, later verschenen als luister-cd.

Al deze stemmen hadden hun eigen kracht, voortkomend uit de choreografie van timbre, de woorden zelf en het variĆ«rende gevoel dat via de stem werd overgebracht. Zelf was ik lange tijd verslingerd aan de stem van Alistair Cooke die op de BBC World Service zijn ’Letters from America’ voorlas.

Waarom? Omdat bij de stem de verleiding ligt in de gecombineerde kracht van de persoonlijkheid en de boodschap. Voor spreken is kracht nodig, voor zien niet, en daarom spreken de trillingen van de stem, die komt uit de innerlijkheid, direct tot ons innerlijk. In orale culturen werden gesproken woorden dan ook een betoverende macht toebedacht.

De komst van het schrift en de opkomst, in de zeventiende en achttiende eeuw, van de leescultuur – boek, tijdschrift, krant – betekenden abstractie en individualisering: cum libello in angello, met een boekje in een hoekje.

De ratio die nodig is voor het begrijpen van de lineaire opeenvolging van woorden werd aangevuld met de eigen fantasie over de betekenis van die woorden en zinnen. Dat werd als een bevrijding gevoeld.

Maar dat bevrijdende gevoel van de eigen interpretatie van de tekst ging ook al snel gepaard met de drang de schrijver te leren kennen. Sinds de opkomst van ’het anonieme publiek’ rond 1800 was dit immers niet meer mogelijk.

De verering en idolatrie van schrijvers kunnen we laten beginnen met de ongekende populariteit van de excentrieke Britse dichter Lord Byron in de tijd van en na Napoleon. Hij dichtte op rijm, maar parlando, over zijn gevoelens, over de vrouwen, zijn reizen naar de OriĆ«nt. Hij was de eerste celebrity. Na het immense succes van het eerste deel van zijn melancholieke en vitalistische feuilletongedicht ’Childe Harold’s Pilgrimage’ in 1812, noteerde hij in zijn dagboek: „Op een dag werd ik wakker en ontdekte dat ik beroemd was.” Hij stuurde zijn vrouwelijke fans stukjes van zijn haarlokken, en kreeg er stukjes schaamhaar voor terug. Dit was gesublimeerde communicatio.

Die behoefte aan intimiteit groeide dus ook zonder dat De Stem er was. Die kwam met de uitvinding van de telefoon in 1876 door Graham Bell. De eerste woorden die hij over dat draadje sprak waren: ’Wat heeft God aangericht?’ Het gold toen als een goddelijke, maar duivelse uitvinding: de menselijke stem laten reizen om van het ene lichaam in het andere te komen.

Die jaren rond 1876 zijn onthullend. In 1875 sprak Friedrich Nietzsche: „God is dood, en wij hebben hem vermoord”. Communicatie tussen de mensen zelf werd de vervangende God, de intermenselijke versmelting het ideaal.

De twintigste eeuw liet een explosie van communicatiemiddelen zien. Naast boek, krant en tijdschrift kwam de radio, de film en de televisie. Men noemt dat de dominantie van de visuele cultuur. Dit is grote onzin. Zonder geluid betekenen radio, film en televisie nauwelijks iets.

De grote makke van televisie, en radio ook, werd dat het tot een permanente talkshow uitgroeide. En hier werd de helft van de communicatie vergeten: het zwijgen. Naast de timing, de timbre en het ritme van het gesproken woord is het getimede zwijgen een grote bron van spanning en kracht.

De terugkeer van de orale cultuur via het luisterboek heeft dus niet zozeer te maken met een reactie op die zogenaamde visuele cultuur, want die was al goeddeels oraal, talking heads overal. De reden is die behoefte aan het contact met die profane Schepper van datgene wat je lief hebt, die tekst. Die tekst en die Schrijver moeten weer samenvallen, net zoals dat in vroeger tijden het geval was bij de middeleeuwse barden en troubadours en de hagenpredikers als pater Brugman.

Grote leiders zijn in de twintigste eeuw ook groot geworden door hun stem: Roosevelt met zijn praatje bij de open haard, Hitler, Churchill, Kennedy en nu Obama. Hitler was de grootste van allemaal, althans de effectiefste. Zijn biografen vertellen dat sommige toehoorders bedwelmd, betoverd raakten, ja zelfs orgasmes kregen bij het aanhoren van zijn Bolero-achtige aanzwellende redevoeringen. Dat enthousiasme kwam voort uit de behoefte aan verlossing door versmelting.

In deze van massamediaal gebabbel-zonder-persoonlijkheid vergeven wereld is deze behoefte aan samensmelting omgevormd in de behoefte aan samensmelting met de profane Schepper/Schrijver van het eigen genot van de luisteraar. In hun stem horen wij de Schepper en voelen wij ons opgeheven naar een irrationele toestand, naar de echte intimiteit, de Herkenning.

mailIcon print |