Rob Schouten ziet niks in het e-boek. Het vertrouwde ’P-boek’ is tenminste een díng: een stoffige turf, of juist zo nieuw dat het openslaan ervan voelt als een ontmaagding. En als het een leeslint draagt, weet je zeker dat je geen prul in handen hebt. Wist u trouwens dat je een oorlogsroman het beste in bed kunt lezen. En een dikke pil achter het katheder?
Het e -boek komt eraan, en het luisterboek, zaken die het ouderwetse boek in de kast bedreigen. Maar ik moet er niet aan denken mijn boekenwijsheid voortaan van zulke ongrijpbare tekstdragers te moeten betrekken. Want een boek is ook een ding dat je kunt vasthouden en waarvan de vorm en het uiterlijk de lectuur bepalen. Lezen is niet alleen een mentale maar ook een fysieke aangelegenheid. En wáár lees je een boek? In bed of in de trein? Het maakt nogal wat uit.
Om de fysieke kant van het lezen te omschrijven gebruiken we graag de eet-metafoor. De mens eet zijn boeken. In Ezechiël 3:1 krijgt de profeet te horen: „Mensenkind, eet wat gij hier voor u ziet; eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis Israël”. De Welshe dichteres Gwyneth Lewis schreef het gedicht ’Oxfords boekenlikker’ waarin de hoofdpersoon een bibliotheek verzwelgt: „Tolstoj smaakt prima, / Kafka is uiterst voedzaam.” Teksten die je niet begrijpt, vooral religieuze teksten, dienen herkauwd te worden. Een dik boek is een pil waar je je in vastbijt. Een veellezer heet een boekenwurm.
Zelfs de reuk van het boek of zijn substantie zijn van belang voor de consumptie. Een oud boek, met stof van eeuwen, heeft een andere smaak dan een kakelvers boek, dat de lezer als het ware moet ontmaagden. In Umberto Eco’s ’De naam van de roos’ sterven de lezers omdat ze een boek lezen dat letterlijk vergiftigd is.
Vroeger moest je een boek opensnijden voor je eraan kon beginnen, en nog steeds is de eerste handeling waarmee je een boek gaat lezen lichamelijk, je ziet het, besnuffelt het, opent het. Iedereen inspecteert en taxeert de uiterlijke kenmerken van het boek alvorens hij begint te lezen, daar hoef je geen bibliofiel voor te zijn.
Neem alleen de rug al. Hoe is die beletterd, van boven naar beneden zoals de meeste Nederlandse boeken? Of is het een Duitse rug, van beneden naar boven, en eigenlijk logischer want dan lees je in een boekenkast van links naar rechts de titels van boven naar beneden? En dan hebben we het nog niet over het omslag en de foto van de auteur, de uithangborden van het verhaal dat erachter schuilgaat. Literatuur-hoogleraar Ton Anbeek veronderstelde ooit zelfs dat literatuurcritici zich lieten leiden door zulke uiterlijke kenmerken: „Ik keek op het kaft en de kop van de auteur beviel mij niet (bij een schrijfster ’te lelijk’. Bij een schrijver ’te mooi’).” En heeft het boek een leeslint? Een leeslint is als het ware een kwaliteitskenmerk. Een mooie dichtbundel verdient het, maar in een werkje van Peter R. de Vries is een leeslint een vlag op een modderschuit. Je kunt je afvragen of een cultuur zonder leeslint nog wel onderscheidend vermogen heeft.
Nadat we ons door al deze openingsactiviteiten, verwachtingen en vooroordelen heen geploegd hebben, naderen we allengs de binnenkant van het boek, waar het ons vooral om te doen is. Hoeveel pagina’s telt het, maar ook wat voor letters staan er in, en zijn ze schreefloos zodat we direct een bijdetijds gevoel krijgen of zijn het traditionele letters waar onze ogen over zullen dwalen? Zijn het er heel veel, dicht op elkaar gezet over vele honderden pagina’s dan zetten we ons zuchtend aan het karwei. Zijn het grote letters, met veel wit, op opgedikt papier, dan voelen we ons bekocht of troosten ons met de gedachte dat het natuurlijk niet om de kwantiteit gaat.
Zelf meet ik een boek altijd als volgt op alvorens ik er een letter in lees, ik kijk hoelang de hoofdstukken gemiddeld zijn en bepaal het precieze midden van een boek door het onder aftrek van de eerste titelpagina’s door twee te delen. Zo weet ik precies wanneer ik op de helft van de reis ben. Terwijl ik lees weet ik in mijn achterhoofd steeds hoeveel pagina’s er nog te gaan zijn voor het hoofdstuk of het hele boek uit is. Lezen heeft zo wel iets weg van joggen, je loopt hard tot aan die boom en rust dan even uit.
Persoonlijk zal ik nooit kijken hoe het afloopt, maar anderen bladeren rustig naar het einde alvorens te beginnen. In het laatste boek van Tim Parks las ik over de hoofdpersoon: „Elaine leest de laatste bladzijden van een roman altijd als eerste. Je haalt meer uit een boek als je weet hoe het afloopt, zegt ze. Dan lees je meer op je gemak.”
Cruciaal voor het leesgenot zijn de omstandigheden waaronder je leest. Volgens W.H. Auden moet je lectuurenigszins strijdig zijn met de plek waar je die tot je neemt: ’Oorlog en Vrede’ in bed bijvoorbeeld. André Gide las Boileau varend op de Kongo-rivier, ikzelf heb grote delen van de dagboeken van de zeventiende-eeuwse Engelse ambtenaar Samuel Pepys, op de rivier de Niger in Mali verorberd. De schrijver Alan Sillitoe beval de trein aan: „De beste tijd om een goed, elegant verhaal te lezen is als je in de trein zit en alleen reist. Met vreemden om je heen, en buiten het raam onbekende landschappen (waar je af en toe een blik op werpt) krijgt het vertederende en ingewikkelde leven op de bladzijden van het boek een eigen en nadrukkelijke kracht.’
Naast de gewone leesstoel dingt waarschijnlijk het bed naar de positie van favoriete leesplek. Maar niet ieder boek laat zich liggend lezen. Grote turven bijvoorbeeld kun je beter in een stoel of zelfs staand aan een katheder lezen, helaas een in onbruik geraakte praktijk. Maar ook een gewoon boek stelt z’n eisen als je op je zij liggend leest; de dikste kant moet onder, zodat je het dunste en lichtste gedeelte ’tilt’. Maar door te lezen verandert het dunste gedeelte langzaam in het dikste en moet je op je andere zij gaan liggen. Ik zou dat tastbare signaal dat je over de helft heen bent niet graag missen.
Het bed is ook de plaats waar, althans bij mij, zich het grootste fysieke leesevenement zich afspeelt: het in slaap vallen. Hoe mooi en spannend het verhaal ook is, je sukkelt toch langzaam weg, vergeet hele stukken die je leest en herkent ze de volgende dag helemaal niet meer, wel twintig pagina’s voor je bent opgehouden moet je terugbladeren om de draad weer op te pakken.
Een grote troost is dat we bij dit in slaap vallend lezen de enigen niet zijn. De grote essayist Montaigne vertelt ergens dat hij voortdurend vergat wat hij las en zich zelfs zijn eigen werk niet herinnerde. Misschien helpt het om, zoals Lawrence Sterne in zijn roman ’Tristram Shandy’ deed, midden in het boek een aantal lege hoofdstukken en een geheel zwarte pagina toe te voegen. Daar schrik je wel van wakker. Lezers gingen naar de winkel met de mededeling dat ze een misdruk hadden.
Maar het was de schrijver die hun leescomfort moedwillig verstoorde. Want lezen met alleen je geest, daar word je maar suf van.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.