*

 

Gevluchte Serviërs nemen hun doden mee

Anke Truijen − 17/02/09, 00:00

Dat hun voorouders er begraven liggen is voor Serviërs het bewijs dat Kosovo Servisch is. Maar veel gevluchte Serviërs halen hun voorouders op.

  • (Trouw)

Zoran Radosavlevic werkt als begrafenisondernemer in noord-Mitrovica, het Servische deel van de etnisch verdeelde stad in het noorden van Kosovo. Zijn showroom hangt vol met doodskisten en plastic bloemversieringen. Voor de deur staat zijn omgebouwde stationwagen waarmee hij door heel Kosovo rijdt.

Zijn onderneming Skorpio verzorgt niet alleen begrafenissen, ook bedient hij regelmatig gevluchte Serviërs, die hun overleden familieleden willen overplaatsen naar hun nieuwe woonplaats in Servië.

„Veel Servische families hebben Kosovo voorgoed verlaten”, vertelt Zoran. „Ze voelen zich gescheiden van de familieleden die hier begraven zijn. In Servië is het normaal dat één familie één graf heeft.” Zoran voert dergelijke verzoeken twee tot vier keer per maand uit. Behalve in de winter als het vriest, want dan is de grond te hard om te bewerken.

Lerares Suzanna Andric liet in oktober de lichamen van haar ouders naar haar Servische woonplaats Nis overplaatsen. Haar moeder lag begraven op een verwoest en verwaarloosd kerkhof in de Kosovaarse hoofdstad Pristina. Haar vader werd sinds 1999 vermist, nadat Albanese soldaten hem hadden gegijzeld. Het lichaam werd vorig jaar gevonden en geïdentificeerd. Andric: „Toen besloot ik mijn ouders te herenigen en samen in Servië te begraven.”

De meeste Servische kerken, en Albanese moskeeën, werden tijdens de oorlog verwoest. En in Kosovo liggen veel Servische graven er verwaarloosd bij, zegt Zoran: „Als Serviërs zijn gevlucht, neemt niemand meer de verantwoordelijkheid voor die graven. En niemand beschermt ze, behalve als er nog een Servische kerk staat die wordt gebruikt.”

Ook Suzanna Andric had moeite om haar moeders graf te verzorgen in de grotendeels door Albanezen bewoonde hoofdstad. „Ik voel me niet veilig in Pristina, dus ik kon alleen onder begeleiding van vredestroepen mijn moeders graf bezoeken.”

Overplaatsing neemt een kleine week in beslag. Als een Servische familie zich meldt, regelt Zoran bij de desbetreffende gemeente de papieren. Na vier dagen heeft hij de benodigde toestemming om de lichamen op te graven en uit Kosovo te voeren. Zoran: „De familie is meestal aanwezig als we het graf openen. Ik bereid ze een beetje voor, want je weet nooit wat je aantreft. Soms is het emotioneel voor ze.”

Een lokale bestuurder, politieagent en de begraafplaatsbeheerder zijn erbij aanwezig om toezicht te houden. Zoran: „In Servië is het traditie dat mensen eerst worden begraven met een houten kruis op hun graf. Na een jaar wordt dat vervangen door een mooie marmeren steen. Vanwege de spanningen en politieke situatie in Kosovo konden veel Serviërs die marmeren grafsteen nooit plaatsen. ”

Dat hij zo bijdraagt aan het uitwissen van de Servische geschiedenis in Kosovo vloeit volgens Zoran voort uit de huidige status van het Kosovo-conflict. „We hebben Kosovo verloren. Ik ben erg teleurgesteld in onze politici dat we niet meer konden doen om ons land te behouden. Dit is een gevolg daarvan”, meent hij.

Ook Suzanna Andric benadrukt dat het persoonlijk belang belangrijker is dan het politieke: „Ik wil mijn familie gewoon bij me hebben en ze een mooie rustplaats geven”.

mailIcon print |