Al 10 jaar woedt in Nederland discussie over topbeloningen. Er is weinig bereikt. Ondertussen trekt president Obama wel een heldere grens.
Het wordt een mager jaar voor Kenneth Lewis, topman van Bank of America, de grootste consumentenbank ter wereld. Sinds zijn aantreden in 2001 verdiende Lewis gemiddeld 20 miljoen dollar per jaar. Gisteren bepaalde president Obama dat hij het vanaf nu met maximaal 500.000 dollar per jaar moeten stellen. Bonussen, enkel in de vorm van aandelen, mogen worden uitgekeerd, maar niet verzilverd zolang de overheidssteun niet is terugbetaald.
Critici van het plafond aan de bankierssalarissen, althans voor die bankiers die staatssteun ontvangen, wezen direct op alle nadelen. Talent wordt ontmoedigd bij de banken aan het werk te gaan. Zal de overheid voorgoed de salarissen in de bankensector bepalen? Moeten alle toekomstige managers bloeden voor de fouten van hun voorgangers? Of erger nog, de falende toplieden hebben de miljoenen al lang binnen en zijn vertrokken – wat voegt het salarisplafond dan nog toe?
Al die argumenten zijn, in meer of mindere mate, waar. Maar feit is dat Obama weinig anders kan dan de salarissen aanpakken, wil hij de financiële sector nog te hulp schieten. De publieke woede in de Verenigde Staten over de steun aan de banken, die ondertussen vrolijk doorgaan met dure feesten, privévliegtuigen en schier eindeloze bonussen, begint een kritiek punt te bereiken. De president die gekozen werd op de belofte dat hij de cultuur op Wall Street zou veranderen, zou direct veel krediet verspelen door de publieke opinie hier te negeren. En omdat de bankiers zelf ook niet voornemens lijken hun gedrag aan te passen, dient de politiek in te grijpen.
Hetzelfde wordt in Nederland ook gezegd. Bij iedere reddingsoperatie van een Nederlandse financiële instelling wijst minister Bos van financiën op de beperkende maatregelen in de salariëring. Commissarissen zijn aangesteld om het beloningsbeleid onder de loep te nemen. Ontslagen bestuurders krijgen niet meer dan één jaarsalaris mee als vertrekpremie. En als klap op de vuurpijl: bestuurders leveren hun bonussen van dat jaar in.
Maar die maatregelen lijken wellicht meer dan ze in werkelijkheid zijn. Zo krijgen de overheidscommissarissen invloed op het opstellen van een nieuw beloningstelsel, maar is het eindoordeel aan de vergadering van aandeelhouders. Die hebben, zoals in het verleden al is gebleken, vaak belang bij hoge salarissen voor topbestuurders als dat betekent dat de koers van het aandeel vergelijkbare hoogten bereikt. De limiet van één jaarsalaris bij vertrek is geen noviteit, maar onderdeel van de Code Tabaksblat voor goed ondernemingsbestuur. Bedrijven die zich daar niet aan houden, kunnen daar nu al op worden aangesproken. En wat betreft de ’ingeleverde’ bonussen: zonder staatssteun zou de bank failliet zijn. Dan kunnen er helemaal geen bonussen worden uitgekeerd.
In Nederland woedt de discussie over topbeloningen nu al meer dan tien jaar, sinds oud-premier Kok sprak over ’exhibitionistische zelfverrijking’. De excessen zijn sindsdien niet minder geworden, maar juist erger. In de politiek wordt gesproken over een dilemma: kan de overheid zomaar ingrijpen in de salariëring van de marktsector? Bovendien hebben we te maken met bestaande contracten, zoals eind vorig jaar bleek bij het vertrek van Jan Peter Schmittman bij ABN Amro. De rechter gaf Schmittman gelijk toen hij 8 miljoen euro claimde bij zijn vertrek. Met andere woorden: de regering zou het graag anders zien maar kan eigenlijk niets doen.
Dat argument heeft sinds gisteren flink aan kracht verloren. Waar in Nederland al meer dan tien jaar wordt geprobeerd en weinig is bereikt, heeft president Obama in de derde week van zijn ambtstermijn een heldere grens getrokken. Dat geeft aan dat het niet zozeer gaat om niet kunnen, maar om politieke durf.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.