*

 

Zwemmen de olympische goudmijn

Rob Velthuis − 02/01/09, 00:00

Nergens is het niveauverschil zo groot als in zwemmen. Jongens gaan voetballen; zwemmende vrouwen trainden twee keer zo hard.

Zwemmen is voor Nederland de olympische goudmijn. Voor het aanboren van de aders zijn vooral vrouwen verantwoordelijk. Pieter van den Hoogenband, winnaar van zeven van de negen mannenmedailles, is de uitzondering.

Vanaf 1928 zijn met zwemmen 52 medailles gewonnen, bijna een kwart van de totale zomerproductie. Slechts het internationaal veel kleinere schaatsen is met 78 plakken succesvoller. Hoe vreemd, daar wonnen mannen twee keer meer dan vrouwen.

Dat is een bizar verschil voor sporten met dezelfde historische achtergrond. Schaatsen en zwemmen zijn altijd volkse sporten bij uitstek geweest. Zij werden al beoefend in een tijd dat sport bedrijven niet vanzelfsprekend was, en als gezond gepropageerd.

Het verschil zit hem in het feit dat zwemmen op school werd onderwezen, schaatsen niet. Het onderwijs was lange tijd voor vrouwen de enige mogelijkheid om met sport in aanraking te komen.

In Holland en Friesland vielen op bevroren wateren rangen en standen weg. Talloze clubs werden opgericht. Dat gebeurde eind negentiende eeuw ook in het zwemmen. In 1888 werd de Nederlandsche Zwembond opgericht waartoe, en dat was opmerkelijk, twee ’damesclubs’ toetraden. Drie jaar eerder was in Amsterdam de eerste wedstrijd voor vrouwen gehouden, waarna de Hollandsche Dameszwemclub (HDC) werd opgericht.

Zwemmen was de tweede olympische vrouwensport, na tennis. Niet dat wedstrijdzwemmen voor Nederlandse vrouwen werd gepropageerd, ’daar was immers geen enkel nut van te verwachten’. Er was echter geen rekening gehouden met M. J. Braun-Voorwinde, in de volksmond Ma Braun.

Volgens zwemvorser Jos van Kuijeren, mede-auteur van het boek ’Zwemmen in goud’ over de Nederlandse zwemgeschiedenis, is Braun niet alleen grondlegger geweest van het topzwemmen, maar ook inspirator voor volgende generaties. „Zij was geĆ«mancipeerd, een unieke figuur waarvan er op de wereld niet zoveel waren.”

Tijdens de Spelen van Amsterdam werd haar dochter Marie ’Zus’ Braun de sensatie met goud op de 100 meter rugslag en zilver op de 400 vrij. Haar pupil Marie Baron werd tweede op de 200 schoolslag.

Ma Braun werkte tegen de (mannen)stroom in, had een zesde zintuig voor het ontdekken van talent en zocht overal op de wereld naar nieuwe technieken. Ze besteedde aandacht aan voeding (bruine bonen met spek, paardenbiefstuk, bananen en geklutste eieren). Van haar pupillen eiste ze totale overgave, zoals dat in de huidige topsport gemeengoed is geworden.

Daar knapte haar dochter op af, net als later Rie Mastenbroek. De zeventienjarige Mastenbroek werd de koningin van de Hitlerspelen (1936) met drie gouden en een zilveren medaille in een programma dat slechts vijf disciplines kende. Ze had de legendarische atleet Jesse Owens kunnen evenaren. Het goud op haar specialiteit, de 100 meter rugslag, liet ze aan haar landgenote Nida Senff, die het keerpunt had gemist nota bene.

Mastenbroek is een vergeten grootheid. Ze kreeg nooit de bekendheid die twaalf jaar later atlete Fanny Blankers-Koen wel ten deel viel. Pas in 2000 kwam ze even uit de vergetelheid toen Inge de Bruijn haar evenaarde. In de tussenliggende periode waren de zwemmende vrouwen oppermachtig aan de mannen. Van den Hoogenband werd pas in 2000 en 2004 de uitzondering.

Wat is daarvan de verklaring? „In Nederland gaan jongens voetballen”, aldus Van Kuijeren. „Daarom hebben we ook geen goede atleten. Van den Hoogenband was zo goed omdat hij het kind was van een zwemmende moeder en een waterpoloĆ«nde vader.”

„Wij hebben ook een traditie van goede trainers. Onder hen waren dominante mannen die op een of andere manier meisjes goed konden motiveren.”

Voormalig bondscoach Bert Sitters spreekt slechts over de periode waarin hijzelf zwom en trainer was, van beginjaren zestig tot eind jaren tachtig. „Vrouwen trainden gewoon veel meer en harder.”

„Zij trainden ook op internationaal niveau en wij mannen niet. Ik wil niet discriminerend overkomen, maar in mijn zwemtijd volgden meisjes over het algemeen een lagere opleiding. Ze hadden meer tijd om te trainen.”

Sitters wijst op een psychologisch aspect, waardoor het niveauverschil onveranderd is gebleven. „Je moet voor topprestaties door psychische barrières. Als mensen om je heen dat hebben gedaan, is dat makkelijker. In de jaren zeventig stelde het niveau van Italiaanse vrouwen niets voor, die zwommen 58 op de 100 vrij terwijl in de VS 56 normaal was. Toen ze Italiaanse talenten in Amerika lieten trainen, zaten zij ook zo op 56.”

Het is een treffend voorbeeld. Pas nadat eenling Marcel Wouda enige jaren in de VS had getraind, werd hij als eerste (en nog altijd enige) Nederlandse man wereldkampioen.

mailIcon print |