Dat het pardonloket ook na 1 januari open blijft, past in de geest van barmhartigheid van die regeling.
De gemeentelijk loketten voor het generaal pardon gingen gisteren net als in het oude jaar gewoon open. Woordvoerders van verschillende Kamerfracties uitten de afgelopen weken scherpe kritiek op staatssecretaris Albayrak van justitie omdat die de gemeentelijke pardonloketten niet per 1 januari wilde sluiten terwijl dat wel was toegezegd. De fracties van CDA, VVD, PVV en SGP vonden bijvoorbeeld dat zij daarover te laat waren geïnformeerd. Die kritische geluiden zijn echter onterecht.
De strekking van de pardonregeling is dat de rijksoverheid eindelijk de verantwoordelijkheid neemt voor achterstanden die zij zelf heeft gecreëerd. Concreet betekent de regeling een einde aan het uitzichtloze wachten van enkele tienduizenden asielzoekers die al sinds april 2001 in Nederland zijn. Het merendeel daarvan is rechtmatig in Nederland en slechts een zeer klein deel uitgeprocedeerd.
De regeling zelf is in wezen vrij simpel. Een vreemdeling komt in aanmerking voor een pardonvergunning als deze vóór 1 april 2001 een asielverzoek heeft ingediend, sindsdien in Nederland is gebleven en – kort gezegd – geen crimineel is. Na uitgebreid overleg tussen het rijk, gemeenten en organisaties als Vluchtelingenwerk werd de precieze handelswijze van alle betrokkenen vastgelegd. En dat gold ook de interpretatie van de criteria.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kon dus direct aan de slag en in de loop van 2008 kon gemeld worden dat men op schema lag. Zo’n 30.000 pardonkandidaten waren inmiddels beoordeeld en vrijwel alle betrokken gemeenten konden aangeven min of meer op schema te liggen met de huisvesting van de vergunninghouders.
Slechts op het onderdeel van het ’gemeentelijke pardonloket’ is er sprake van overschrijding van de oorspronkelijke planning. De functie van het pardonloket is dat een pardonkandidaat, die niet ’bekend’ is bij de IND, zich aanmeldt maakt bij de gemeente. De burgemeester beoordeelt vervolgens of de asielzoeker ’ononderbroken’ verblijf heeft gehad in zijn gemeente. En indien dat aannemelijk wordt geacht, wordt dit doorgegeven aan de IND die vervolgens op de resterende criteria toetst.
Deze beoordeling door de burgemeester bleek niet in alle gemeenten volgens het oorspronkelijk tijdschema gerealiseerd te kunnen worden. Het is immers voor pardonners vaak lastig om met bewijs te komen waaruit het ononderbroken verblijf blijkt. Dat is met name een probleem voor iemand die jarenlang heeft getracht niet op te vallen en geen ’sporen’ achter te laten. Na verloop van tijd en veel geduld is het de meesten echter toch gelukt om hun verblijf aannemelijk te maken.
Het uiteindelijke probleem waar de Kamerleden nu over zijn gevallen betreft krap 2 procent van de totale groep. Het gaat dan hoofdzakelijk om getraumatiseerde asielzoekers, die al jaren als dak- of thuisloze een zwervend bestaan leiden. Het ongeloof bij deze kleine groep over het bestaan van de pardonregeling, leidde tot een houding van ’eerst zien en dan geloven’.
De pardonregeling zelf is gestoeld op een overweging van rechtvaardigheid en barmhartigheid. In die geest is het meer dan begrijpelijk dat men aarzelende pardonners enig respijt heeft gegeven.
Het gaat dus niet om een verruiming van de regeling. Ook gaat het niet om het vergroten van de doelgroep van de regeling; die is nog steeds exact hetzelfde. Er is slechts begrip opgebracht voor het gegeven dat een klein aantal oud-asielzoekers enige tijd nodig had om het echt te kunnen geloven.
De felle kritiek van enkele Kamerleden op deze begripvolle houding van de staatssecretaris is daarmee volledig onterecht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.