Men hoeft niet – zoals Dostojevski – bevreesd te zijn dat de moraal verdwijnt door de evolutietheorie.
’Als God niet bestaat, is alles toegestaan”. Deze stelregel is ongetwijfeld het bekendste citaat uit het werk van Dostojevski. De zin drukt een angst uit die vele gelovigen voelen wanneer ze nadenken over atheïsme. Hoe moet het met de ethiek wanneer iedereen ongelovig wordt? Hoe mensen nog zover te krijgen dat ze morele normen toepassen?
Mijn stelling is dat de evolutietheorie van Charles Darwin en Alfred Russell Wallace deze angst ten dele kan wegnemen. Het jaar 2009 is om twee redenen een ’Darwinjaar’. Charles Darwin werd geboren op 12 februari 1809 en het boek waarin hij de evolutietheorie publiceerde, ’The Origin of Species’, verscheen op 24 november 1859.
Er zijn weinig wetenschappelijke theorieën die zo’n doorslaggevend belang hebben voor onze wereldbeschouwing als de evolutietheorie. De theorie is gedurende de laatste 150 jaar steeds verder ontwikkeld en wordt gestaafd door overweldigend empirisch bewijsmateriaal uit diverse disciplines zoals de studie van fossielen, de vergelijkende anatomie, de biogeografie, de moleculaire biologie en de genetica. Het Darwinjaar is een goede aanleiding om het wereldbeschouwelijke gewicht van de evolutietheorie nog eens te onderstrepen.
Vòòr Darwin was het gebruikelijk om het bestaan van soorten te verklaren door een religieuze scheppingstheorie. Zijn dieren en planten niet buitengewoon ingewikkeld en prachtig aangepast aan hun leefmilieu? Hoe deze ’adaptieve complexiteit’ beter te verklaren dan door God als schepper aan te nemen? In Darwins tijd waren er echter al talrijke empirische problemen ontstaan voor zo’n scheppingstheorie. Uit fossielen bleek dat soorten uitsterven. Waarom zou God dat toestaan? Wereldreizen maakten duidelijk dat in vergelijkbare natuurlijke omgevingen vaak heel verschillende dieren en planten leven. Waarom schiep God niet dezelfde dieren en planten? En hoe was de kangoeroe na de zondvloed van de berg Ararat naar Australië gesprongen? Op 22 plaatsen in ’The Origin of Species’ bewees Darwin dat zijn evolutietheorie het empirische materiaal beter verklaart dan de scheppingshypothese.
Grof gezegd luidt Darwins theorie als volgt: zoals ook kwekers en telers weten, is er variatie van kenmerken binnen elke soort, grotendeels erfelijk bepaald. Kwekers en telers kunnen varianten binnen een soort ontwikkelen door bij de voortplanting te selecteren op gewenste kenmerken. Zo zijn tekkel en Deense dog uit dezelfde voorouders ontstaan.
Is de natuur niet net zo’n selectiemechanisme, luidt Darwins hypothese, doordat individuen meer nakomelingen krijgen dan andere indien hun kenmerken geschikter blijken om in een bepaalde omgeving te gedijen? Omdat er slechts een gradueel verschil bestaat tussen varianten en soorten, nam Darwin aan dat ook de verscheidenheid van soorten op deze wijze is ontstaan uit gemeenschappelijke voorouders.
Soorten zijn dus geëvolueerd door blinde natuurlijke mechanismen.We hoeven geen scheppergod meer aan te nemen om hun ontstaan te verklaren.
In 1871 publiceerde Darwin ’The Descent of Man’, waarin hij de evolutietheorie toepast op de mens. Twee hoofdstukken gaan over de evolutie van de menselijke moral sense, de emotionele mechanismen die ten grondslag liggen aan onze moraal. Ook hier constateert hij dat er slechts een gradueel verschil bestaat tussen hogere groepsdieren en de mens. Dat betekent dat de hypothese van een evolutie van menselijke morele emoties uit die van een gemeenschappelijke voorouder van mensen en mensapen zeer waarschijnlijk is. Zoals vaak formuleerde Darwin scherp de problemen die biologen nu nog bezig houden. Bijvoorbeeld: hoe is de evolutie van de neiging tot altruïsme te verklaren, als een altruïstische daad de kans vergroot dat de ontvanger meer nageslacht krijgt, ten koste van de gever?
Er zijn veel misverstanden gerezen over de vraag welk licht de evolutietheorie werpt op de menselijke moraal. Zo heeft Darwin zijn theorie van de ’survival of the fittest’ zeker niet verheven tot hoogste morele waarde, al dacht Hitler dat wel in ’Mein Kampf’. Darwins ’survival of the fittest’ is immers een verklarende theorie, geen normatieve. Ook is evolutie niet hetzelfde als vooruitgang. Integendeel, het is een blind proces zonder doelgerichtheid.
De theorie verklaart wel dat sociale dieren zoals mensen bepaalde groepsinstincten hebben, die ons brengen tot wederzijdse bijstand. Wij mensen delen rudimentaire emoties met onze naaste verwanten, de chimpansees en de bonobo’s. Dit zijn de fundamentele bouwstenen van de moraal, zoals ook de gedragsbioloog Frans de Waal in talrijke publicaties heeft betoogd.
Indien moraal uiteindelijk berust op geëvolueerde en aangeboren emotionele systemen, is de aan Dostojevski toegeschreven stelregel onjuist. Ook als God niet bestaat, is niet alles toegestaan, want onze morele emoties nopen ons tot oordelen en veroordelen. We kunnen gewoon niet anders en er bestaat niet zoiets als een vrije keuze om al dan niet moreel te zijn.
De evolutietheorie kan de angst van gelovigen dat zonder God ’alles is toegestaan’ slechts ten dele wegnemen. Want bij morele emoties is er sprake van variatie, net als bij andere kenmerken.
Medegevoel of moed komt bij mensen in allerlei gradaties voor. Sommige psychopaten ontberen zelfs elk gevoel voor de medemens. Daarom kan de mens, net als vele andere groepsdieren, niet zonder systemen van straf en beloning, die de moreel zwakbegaafden in toom moeten houden.
Herman Philipse is zondag 8 februari een van de sprekers op Darwin Day, een symposium van het Humanistisch Verbond in Amsterdam.
Herman Philipse
hoogleraar wijsbegeerte Universiteit Utrecht
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.