opinie CDA-leider Balkenende maakte eind vorig jaar duidelijk dat hij nog tot 2015 premier wil blijven. Op het najaarscongres van zijn partij formuleerde hij die wens nog wat omzichtig; enkele weken later in een vraaggesprek met Elsevier sprak hij zich onomwonden uit. Is de kans dat hem dit gaat lukken na het Kamerdebat over het Irak-onderzoek groter of kleiner geworden?
Dat Balkenende zijn ambitie om zowel Hendrik Colijn als recordhouder Ruud Lubbers in dienstjaren te passeren zo openlijk etaleerde, duidt op een groot zelfvertrouwen. Kennelijk voelde hij zich sterk genoeg om de prolongatie van zijn dienstverband als het ware per decreet af te kondigen. Zou hij zich ook hebben gerealiseerd dat zoveel machtsvertoon onherroepelijk tegenkrachten wakker roept? Zo niet, dan is hij daar de afgelopen weken snel achter gekomen.
Het Irak-debat was, tot de politieke kern teruggebracht, een publieke oorwassing van de premier, een lesje in nederigheid. De ‘oude krokodillen’, zoals Hans Wiegel de staatslieden in ruste deze week omschreef, deden de voorwas, de Kamer de hoofdwas.
Het moet er direct aan worden toegevoegd: de premier doorstond de Haagse schrobbering met verve. Zes jaar lang wist hij een onderzoek tegen te houden, in het elfde uur toonde hij zich een realist en pragmaticus die boog onder de almaar groeiende druk, ook vanuit zijn eigen partij.
Daarmee leverde hij als minister-president, ironisch genoeg, alsnog een proeve van bekwaamheid af. In dit coalitieland moet een premier realistisch en pragmatisch zijn, wil hij het langer dan één periode volhouden, laat staan wanneer hij bezig is met een poging recordhouder te worden. Het was dan ook niet voor niks dat Lubbers, met 4309 dagen de langstzittende premier ooit, Balkenende de uitweg van een externe onderzoekscommissie wees.
De premier zelf overdonderde vervolgens de oppositie door in het debat ook zijn verzet tegen een eventuele parlementaire enquête in het vervolg op te geven.
Geen van de opposanten, zelfs niet de gewiekste Pechtold en de vileine Halsema, was in staat de winst direct te incasseren en spiegelbeeldig Balkenende zijn nederlaag in te wrijven. Gevangen in de eigen retoriek lieten ze aldus de minister-president nog bijna als overwinnaar weg komen.
Vanaf het begin heeft politiek Den Haag de machtswil van Balkenende onderschat, nu bleken vriend en vijand ook zijn vermogen te onderschatten op het cruciale moment voor de terugtocht te kiezen. Zo blijft de Zeeuw, die bij zijn aantreden voor een studeerkamergeleerde werd gehouden, iedereen steeds weer verbazen. In politieke zin heeft hij deze week ieder zijn deel gegeven, al dan niet op termijn, en de schade voor zichzelf uiterst beperkt gehouden, zo niet geheel aan het oog onttrokken. Een knappe politieke prestatie.
Daarmee is de vraag of hij zijn positie als CDA-leider en mogelijk ook premier kan bestendigen in feite beantwoord. Ja, dat kan hij, nu hij ook de grenzen van die positie heeft onderkend en, met vertoon van strijdlust, de kunst van het politiek overleven blijkt te verstaan. Het Irak-debat van deze week kan daarom nu al tot de klassiekers worden gerekend. Het dwong niet alleen Balkenende, maar alle deelnemers tot het uiterste van hun kunnen, niet alleen in retorische zin, maar ook in consistentie, waarachtigheid en politiek-staatsrechtelijk gevoel.
Misschien markeerde dit Kamerdebat wel het moment waarop de huidige generatie politici die, na 2002 rauwelings in het diepe gegooid, lange tijd niet voor vol werd aangezien, het niveau van volwassenheid bereikte. Balkenende schaarde zich met zijn optreden in de rij van illustere voorgangers als Schmelzer, Aantjes en Lubbers. Hij versloeg de oppositie, met een Halsema in topvorm, op alle boven genoemde kwaliteiten. Met een externe commissie van onderzoek is niks mis, het parlement wordt niet buitenspel gezet, aan publieke verantwoording voor de politieke steun aan de Irak-oorlog heeft het niet ontbroken, er blijft altijd ruimte voor een parlementaire enquête.
De oppositiepartijen slaagden er niet in bressen te slaan in deze verdedigingslijnen, ofwel omdat ze zelf boter op het hoofd hadden (VVD, D66), ofwel omdat ze in het belijden van zuiverheid in de verhoudingen tussen regering en Kamer doorsloegen (SP, GroenLinks, D66).
Pas in de barre praktijk van het regeren blijkt wat zulke onversneden opvattingen waard zijn. Balkenende veegde als oppositieleider de vloer aan met de coalitiedwang onder de kabinetten-Kok, maar zelf aan de macht gedraagt hij zich niet anders dan zijn voorgangers.
Where you stand, depends on where you sit. Deze Britse wijsheid kan als het toppunt van cynisme worden beschouwd, maar ook als een realistische erkenning van de zwakte der menselijke natuur. Een marge van begrip voor de verleidingen van de macht kan er dus zijn. Maar het is uit democratische oogpunt laakbaar, zo niet pervers, de tegenmacht bij voorbaat te verzwakken, zoals CDA en PvdA in de kabinetsformatie hebben gedaan. Welbewust, maar tegelijk ook schuldbewust, want zij durfden de afspraak om van een Irak-onderzoek af te zien niet op papier te zetten.
Balkenende heeft ten langen leste de schande van Beetsterzwaag weggewerkt en PvdA-fractievoorzitter Hamer heeft dit gebaar op passende wijze, dat wil zeggen ingetogen, geïncasseerd. De oppositie verzuimde dit staaltje van zelfreinigend vermogen van de coalitie op waarde te schatten, zodat er toch nog een kwade geur is blijven hangen. Dat is jammer, want de uitkomst van het Irak-debat was de democratie op haar best. Balkenende mag dus nog even blijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.