In een expo vol beeld en geluid probeert het Nederlands Theater Instituut in Zwolle de ontwikkelingen in de operaregie duidelijk te maken. Da’s nog niet zo eenvoudig.
De titel ’Niet omkijken, Orpheus’ is goed gekozen. Het is de vermaning die de mythische lierspeler krijgt als hij zijn Eurydice uit de onderwereld mee terug mag nemen naar het zonlicht. Zoals bekend kijkt hij tóch om en verliest daarop zijn geliefde opnieuw. Overdrachtelijk roepen regisseur Peter te Nuyl en vormgeefster Mirjam Grote Gansey, samenstellers van de tentoonstelling in Museum de Fundatie, dat we niet meer om moeten kijken naar vroeger, naar de tijd dat diva’s en divo’s heer en meester waren op de operabühne – toen de muziek het belangrijkst was en het theater er een beetje bij hing; toen iedere zanger zijn eigen kostuums had en zelf wel wist hoe hij gekweldheid, boosheid, droefenis of waanzin moest spelen. We zijn in de koppeling van muziek en theater een eind gekomen, beweren Te Nuyl en Grote Gansey, en om dat te laten zien, kunnen ze niet anders dan ’omkijken’.
Ze doen dat aan de hand van schetsen, kostuums, posters, videobeelden, maquettes en andere parafernalia uit de muziektheaterwereld. Moeilijk is het wel om in een redelijk begrensde omgeving zo’n ontwikkeling zichtbaar en duidelijk te maken. In zeven verschillende ’kabinetten’ en een ’grote zaal’ wordt geprobeerd het verhaal te vertellen. Kort door de bocht is daarbij soms onvermijdbaar. Voor een geïnteresseerde leek kan de expositie daardoor behoorlijk onoverzichtelijk en willekeurig overkomen.
In het kabinet dat gewijd is aan Mozarts ’Don Giovanni’ kun je kiezen uit twee keer drie videofragmenten (Giovanni’s ’Champagne-aria’ en het terzet waarin Giovanni naar de hel gaat) kiezen: van esthetisch-ouderwets (Herbert Graf/Salzburg 1953), via modern-theatraal (Walter Felsenstein/Berlijn 1966) tot hedendaags geactualiseerd (Peter Sellars/New York 1990). De bezoeker kan via drie knoppen op een fraai gedekte tafel de videofragmenten kiezen.
Die tafel is een verwijzing naar de gedekte dis aan het slot van ’Don Giovanni’ als het standbeeld van de Commendatore op bezoek komt. De tafel is gedekt voor zes, maar een beetje kenner weet dat Giovanni op dat moment alleen eet. Als het stenen beeld ineens toch op de stoep staat, vraagt hij aan zijn bediende Leporello ’un altra cena’ (nog een couvert). In het kamertje hangen verder foto’s van verschillende ’Don Giovanni’-ensceneringen, staan er paspoppen met verschillende kostuums en op de grond staat de maquette van het decor van de meest recente ’Don Giovanni’ bij de Nederlandse Opera. Het is de veelbesproken ’beddenpaleis-Giovanni’, maar over de commotie en weerzin die die teweegbracht is geen letter te lezen.
Ronduit intrigerend zijn de bewegende beelden van Felsenstein, die van 1947 tot 1975 de Komische Oper in Berlijn leidde. We zien hem een scène regisseren en de camera blijft gefocust op Felsensteins expressieve gezicht. Overigens actualiseerde Felsenstein een opera nooit. De filmscènes uit Felsensteins ’Otello’ lijken rechtstreeks afkomstig uit een film van Sergej Eisenstein; heftige gezichtsuitdrukkingen, ieder koorlid een individu. Felsensteins leerling en opvolger Harry Kupfer vertelt in een interview met Peter te Nuyl (op zijn beurt leerling van Kupfer) dat die stormscène ook live op de bühne een kolkend gebeuren was. Het leverde in Berlijn elke keer een staande ovatie op.
Kupfer vertelt in een ander kabinetje over Maria Callas. Hij zag haar ooit één keer live en hij beweert dat Callas juist niet de stereotiepe operadiva was, maar een zangeres die het acteren in de opera een nieuwe impuls gaf. Zij was een theatervernieuwer, zegt Kupfer en Te Nuyl zegt het hem na. Kupfer zet Callas af tegen haar grote tijdgenote en concurrente en heeft het in dat verband over ’die domme Tebaldi’. Flauwe opmerking en onheus ook nog. In opera heb je ook nog zoiets als acteren met de stem, en daar was Renata Tebaldi uniek in.
Kupfer beweert met droge ogen dat het zo jammer is dat Callas in haar jonge jaren, toen haar stem nog ongeschonden was, nooit met grote regisseurs heeft gewerkt. Callas was in die ’jonge jaren’ echter een dikke lelijke sopraan met wie juist iemand als Kupfer ongetwijfeld nooit had wíllen samenwerken. Wie haar nu ziet op filmbeelden kan toch niet aan de indruk ontkomen dat haar acteerstijl wel erg veel lijkt op de ’foute en holle grote gebaren’ die op een filmpje uit 1904 (een ’Parsifal’-scène in het decor van de Metropolitan Opera New York) te zien zijn. Zou haar stijl van acteren – veel handen, grote ogen – tegenwoordig niet van het toneel gelachen worden?
Aan het begin van de tentoonstelling staat een uitspraak te lezen van Hartmut Haenchen. ’Er is iets gevaarlijks gebeurd met opera. De eerlijkheid in interpretatie, ik praat nu over de regie, is niet meer zo gevraagd. Er zijn veel producties die alleen maar zo vreemd mogelijk zijn, maar waarin geen opvattingen over het werk steken.’ Haenchen, die vaak samenwerkte met Kupfer, deed deze uitspraak al weer twintig jaar geleden. Er schuilt nog steeds veel waarheid in. Overigens hoor je steeds vaker voorspellingen, niet van de minsten, dat aan het actualiseren en psychologiseren van al die aloude opera’s een eind gaat komen. Het krampachtig proberen te vermijden van operaclichés is te vaak en te veel een cliché op zich geworden. Dus wie weet kijkt Orpheus in de toekomst toch weer om.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.