Vorig jaar ontdekte ik ze. In twee tuinen vol naaldbomen. Er lagen braakballen. Uitwerpselen hadden een tak gewit. Ineens zag ik een stevige vogel zitten, naast de stam, op een meter of zes hoogte.
Vorige week die tuin weer bezocht. Er zaten er vijf. De bewoners tuinierden en bekeken ons argwanend. Maar toen we naar de ransuilen vroegen, ontdooiden ze. „Gisteren zaten er twaalf”, vertelde de vrouw. „Toen we dit huis kochten, gaven de uilen de doorslag”, vertelde de man. Zij zijn er gelukkig mee. Wat een geluk voor die uilen. Ik hoorde over mensen die slaapbomen van ransuilen omzaagden. Witte poep en grijze braakballen vonden ze niet netjes.
Maar vooral stoorden ze zich aan het geluid. Ransuilen zijn zwijgzaam, maar hun kuikens piepen als een roestig scharnier. Nog even en ze zoeken een leegstaand eksternest om te kraken. Maar nu rusten ze in hun boom. Twee pluimpjes steken recht omhoog, de ogen staren ons aan. De kop draait mee tot ie achterstevoren staat en schiet dan bliksemsnel terug, bijna de klok rond, om ons te blijven volgen. Ook de buurman is trots op zijn uilen. Hij kruipt zwart besmeurd onder zijn auto vandaan en vraagt welke soort het is.
’s Avonds vliegen ze uit. Ze jagen op muizen. Ik heb ze eens door de straat zien vliegen. Op mijn verjaardag.
Zondagavond liepen zoontje en ik naar huis. Tegelijk stopten we, drie meter voor de deur. Daar zat in de jonge, kale lijsterbes een ransuil. Op kruinhoogte, vol in het licht van de lage straatlamp. De uil en wij keken elkaar aan. Toen zweefde hij over ons hoofd weg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.