opinie De mevrouw van het consultatiebureau vraagt zich af of zoon wel goed ziet. Zij ontwaart systeem in zijn ’Dat kan ik echt niet lezen, hoor’. Ik denk dat hij maar wat zegt. Hij vindt het gedoe met zo’n bril die één oog afdekt reuze interessant.
Niettemin zitten we een week later bij de kinderopticien die hem behendig een goedje in zijn oog druppelt en de hele riedel – Zit de opening van het rondje boven of beneden? Zit de opening van het rondje aan de linker- of de rechterkant? – nog eens met hem doorloopt.
Het is op het randje, meent ze.
Zoons beste vriendje heeft sinds kort een geinige blauwe bril op zijn neus. Het meisje voor wie hij vanochtend aan het ontbijt een hart tekende, is al langer gezegend met een leuk modelletje.
Ik herinner me hoe trots ik, zes jaar oud, op mijn eerste bril was. Liever had ik een gebroken arm gehad, net als de klasgenoot die met zijn fiets voor een auto belandde. Of een enge bloedziekte waarvoor je weken in het ziekenhuis moest blijven, zoals een andere jongen. Het lukte ook al niet om naar een speciale school te mogen, zoals die twee meisjes die we na de herfstvakantie alleen nog maar in een busje voorbij zagen komen. Maar de bril maakte veel goed.
In de puberteit – toen de bril in een hoek werd gesmeten omdat mijn moeder niet van zins was iedere zes weken een hipper exemplaar aan te schaffen – belandde ik alsnog een paar dagen in het ziekenhuis met een gescheurde meniscus. Dat viel weer in het niet bij alle consternatie die anorectische vriendinnen opriepen, klasgenoten wier ouders in een pijnlijke scheiding lagen of medeleerlingen die het lef hadden weg te lopen van huis omdat ze geen hanekam, een rat als huisdier en veertien gaatjes in hun oor mochten.
Bij mijn kinderen bespeur ik een genetisch bepaalde voorliefde voor drama, aandacht en publiek. Zoon is verbolgen dat hij niet, zoals sommige klasgenoten, drie keer in de week extra mag lezen bij een speciale juf. En het is dochter een raadsel waarom haar logopedielessen worden ontzegd, terwijl twee van haar vriendinnetjes wel mogen. Gelukkig viel ze onlangs flauw onder het oog van het halve docentenkorps en goed gevuld speelplein – voorlopig her finest hour.
Zoon constateert op weg van de opticien naar huis mismoedig dat het hem niet is gelukt.
Niet gelukt?
„Nee, ik heb nog steeds geen bril.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.