Je waant je in een exotische volière, bij het zien van de levensechte vogelstukken van Melchior d’Hondecoeter.
Als je goed luistert klinkt er van de vogelstukken van de schilder Melchior d’Hondecoeter (1636-1695) in een van de zalen van het Rijksmuseum in Amsterdam een aanhoudend gesnater, gegak, gekoer en gekwek. Hondecoeter schilderde in vrijwel elk schilderij een complete menagerie aan exotisch vederwild.
Deze vogelvriendjes worden meestal gesitueerd in een parkachtige, maar verder niet nader bepaalde omgeving, die altijd omgeven wordt door architectonische elementen als het bordes, de balustrade van een landgoed, een kasteeltje of een dure patriciƫrswoning. Het zijn voorstellingen die opvallen door de levendige aanpak: de kijker wist zich in de 17de eeuw bijna tastbaar omringd door levende dieren.
Het schilderen van flora en fauna was in de 17de eeuw – Melchior d’Hondecoeter maakte ook de nabloei van de Gouden Eeuw en de aanloop naar de elegante 18de eeuw mee – geen ongewone zaak. Hij werd geboren in Utrecht, als zoon van een vader die het vak van landschapsschilder al bij diens vader, die nog als protestant uit het bezette Antwerpen was gevlucht had geleerd.
Maar d’Hondecoeter vond binnen het specialisme van het dierstuk nog een meer toegespitst onderwerp. Zoals Saverij zich met paarden bezighield, Potter en Berchem in vee waren geïnteresseerd en wild in de jachtstillevens van Willem van Aelst en Frans Snyders is te vinden, zo richtte Hondecoeter zich op het bontkleurige veerwild. Gans, patrijs, duif, eend en pauw, waar het inheems gevogelte betreft en geelkuifkaketoe, pelikaan, Indonesische vrouwenlori en Aziatische saruskraanvogel voor meer buitenissig veerwild.
Vogels houden was in de 17de eeuw voor vorsten, adel en gegoede burgerij een bezigheid die hun aanzien verleende. Wie het zich kon permitteren legde een rariteitenkabinet of een ’wonderkamer’ aan en ging nog een stap verder door deze objecten aan te vullen met levende have.
Anderzijds, veel van de door d’Hondecoeter geschilderde vogels zullen ter eniger tijd ook wel eens in de vleespotten zijn geraakt. Gans, zwaan, patrijs en duif, maar ook pauw en fazant stonden bij koning en edelman regelmatig op tafel. d’Hondecoeter schilderde de vogels vooral in levenden lijve, als ze ronddrentelen op de balustrade van een landgoed of rondzwemmen in een vijver of slotgracht. te zien aan de waarheidsgetrouwe wijze waarop de vogels worden weergegeven, moet Hondecoeter wel in verbinding hebben gestaan met eigenaren van zo’n dierenmenagerie.
Hij had daarvoor ook voorbeeldboeken kunnen raadplegen, maar dan hadden zijn dieren toch veel statischer geoogd. Anders dan in de schilderkunst van de Gouden Eeuw, die toch wel erg donker en soms zelfs bijna monochroom-somber kan zijn, gebruikte d’Hondecoeter lichte, aansprekende kleuren (waar onder heel uitzonderlijk de kleur wit) die bovendien oplichten in een theatrale setting. Enkele stillevens heeft hij ook gemaakt. Dan gaat het om een jachtbuit met dode dieren als hazen of herten, vogels, opgehaald door een gedienstige jachthond, het enige levende beest op dergelijke schilderijen.
Dat d’Hondecoeter op dit vlak excelleerde, bewijst het feit dat hij enkele malen een opdracht kreeg van koning-stadhouder Willem III (1650-1702) die de entree van zijn paleizen Soestdijk, Honselersdijk en Het Loo een exotisch aanzien wilde geven. d’Hondecoeter zat tijdens zijn korte leven beslist niet stil. Hij bouwde met 250 schilderijen een ruim oeuvre op dat tegenwoordig in binnen- en buitenlandse musea is te vinden.
Jammer genoeg had het Rijksmuseum, dat veertien schilderijen van zijn hand bezit, deze winter geen ruimte voor een retrospectieve. Juniorcurator Marrigje Rikken mocht alvast proefdraaien met een piepkleine presentatie van zes doeken. Ze greep haar kans door al haar kennis in boekvorm om te zetten. Daarmee een aanzet leverend voor de eerste biografie die nu eens eindelijk moet verschijnen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.