*

 

Eufor in Tsjaad Missie van macht en onmacht

Elwin Verheggen − 29/01/09, 00:00

Het Korps Mariniers, dat deel uitmaakt van vredesmissie Eufor in Tsjaad, gaat bijna naar huis. Trouw ging mee op patrouille en blikt terug op de missie, die een krachtige politiemacht ontbeert.

Een Tjadische man met een hagelwitte tulband en gewaad zit op een sjokkende ezel, bepakt met watertassen. „Als Eufor hier is, slapen we goed”, roept hij zwaaiend naar de Nederlandse mariniers, die te voet patrouilleren langs rieten hutjes en ommuurde gebouwen van hulporganisaties. De militairen hebben weer een nachtje kamp gemaakt op een zandvlakte met dorre bomen, net buiten zijn dorp Koukou-Angarana. De avond ervoor reden ze er ook al een wachtronde. Bepantserde Viking-rupsvoertuigen rolden door het slechts door de maan verlichte gehucht, de mariniers gebruikten nachtkijkers.

Volgens korporaal Merijn (32), die de ochtendverkenning leidt, zijn mensen geregeld blij hen te zien. Vooral langs de grens met Soedan, waar ze ook patrouilleren. „We zagen een paar keer gewapende lui snel een droge rivierbedding oversteken, waar de Soedanese regio Darfur begint”, aldus Merijn. „Deze bewapende nomaden uit Darfur, die de bevolking Janjaweed noemt, komen in Tsjaad land opeisen om honderden koeien te laten grazen. Geregeld vreten die beesten de nieuwe oogst op. Volgens ons mandaat kunnen we die gasten wel aanpakken in Tsjaad, maar niet in Soedan. En dat weten ze. Eén keer bleven ze ons gewoon staan aankijken.”

De zestig Nederlandse Korps Mariniers maken deel uit van een EU-vredesmissie (Eufor) van totaal 3700 mensen. Die moet vluchtelingen, ontheemden en hulpverleners beschermen in Tsjaad en in het buurland, Centraal-Afrikaanse Republiek. Frankrijk heeft de helft van de troepen geleverd. De Nederlanders zijn in het stadje Goz Beïda bij een Iers bataljon gevoegd, dat uit ongeveer 400 mensen bestaat en legert in Camp Caira.

De in januari 2008 begonnen EU-missie wordt half maart overgenomen door een VN-vredesmacht van 5500 manschappen, onder de naam Minurcat. Welke landen daaraan precies meedoen is nog onduidelijk, Nederland in ieder geval niet.

Wat Merijn betreft heeft de huidige tweedelichting-mariniers – sinds afgelopen oktober in Tsjaad – de tijd goed benut met talrijke langere patrouilles. „Maar wij hadden wel iets meer spanning gewild. Begrijp me niet verkeerd, dat het rustig is, is goed voor de bevolking. Alleen dachten wij hier supergaaf werk te kunnen doen. We hebben veel meer in onze mars dan de Fransen en Ieren ons laten doen.” Merijn zou bijvoorbeeld ’Pirateneiland’ willen verkennen, een grensgebied geclaimd door Tsjaad en Soedan, waar duizenden Tsjadische rebellen zouden zitten.

Nadat vorig jaar juni ruim tweehonderd hulpverleners geëvacueerd werden, toen zo’n honderd rebellen Goz Beïda waren binnengetrokken, zijn de Nederlanders niet meer in actie gekomen. De Ieren vuurden toen de enige schoten van de missie. „Er zijn sindsdien geen aanvallen geweest”, zegt de commandant van het detachement, majoor Jan-Willem Scheltema (37), in de Hollandse ontspanningshut op de basis. „De Ieren hebben afgelopen juli nog, na een vuurgevecht tussen twee stammen, 24 hulpverleners geëvacueerd. Daarna is het rustig gebleven. Maar dit is Afrika, alles kan opeens helemaal veranderen.”

Het halfwoestijngebied waarin het Iers-Nederlandse bataljon opereert, past bijna twee keer in Nederland. In dat gebied wordt gepatrouilleerd in vier geselecteerde gebieden, waarin kampen van vluchtelingen uit Darfur en Tsjadische ontheemden liggen. Scheltema: „Door de aanwezigheid en zichtbaarheid van de Europese troepen zijn velen zich volgens lokale leiders veiliger gaan voelen.”

Dat bevestigt ook een vorig jaar september verschenen rapport van hulporganisatie Oxfam. Maar die publicatie stelt tevens dat de Europese troepenmacht in Oost-Tsjaad worstelt met de groeiende wetteloosheid en misdaad in het gebied, omdat zij niet berekend is op politietaken (zie kader). Eufor wijst erop dat de aanpak van criminaliteit een taak is van de Tsjadische politie.

De patrouille met de mariniers deed eerder het dorpje Lobotigue aan. De zes rupsvoertuigen en drie open jeeps reden even daarvoor in een zandwolk op de weg langs nomaden op kamelen en kleurrijk geklede vrouwen op ezels. Nu staan ze net buiten het gehucht in een cirkel geparkeerd. De mariniers houden hun collega’s in de gaten, die een zogeheten sociale patrouille houden, waarbij onder meer met dorpsleiders en Tsjadische veiligheidstroepen gesproken wordt.

Lobotigue wordt als een voorbeelddorp gezien, omdat de veiligheid er zichtbaar is toegenomen. Het gehucht werd eind 2006 vernietigd door Arabische Janjaweedmilities uit Darfur, waarna iedereen in ontheemdenkampen terechtkwam. Maar inmiddels zijn er volgens VN-schattingen zo’n 6000 dorpelingen spontaan teruggekeerd.

„De veiligheid is door Eufor verbeterd, omdat de troepen er elke week langskomen”, zegt luitenant-kolonel Kieran Brennan (51), commandant van het Iers-Nederlandse Eufor-bataljon. Lobotigue kreeg onder meer bezoek van Bernard Kouchner, de Franse minister van buitenlandse zaken en Cindy McCain, de vrouw van de verslagen Amerikaanse presidentskandidaat.

De dorpsleider van Lobotigue, Bako Moustapha, gekleed in een wit gewaad en groene plastic klompen, is het helemaal oneens met Brennan. „Eufor heeft hier niets aan de veiligheidssituatie verbeterd”, vertelt hij als we later zonder militaire begeleiding teruggaan naar het gehucht met louter rieten hutjes.

De inwoners van Lobotigue zijn vooral Dadjo’s, een stam van Afrikaanse boeren die aan beide kanten van de grens wonen. De Janjaweed, die eind 2006 alle huizen in brand staken, het vee roofden en vijf dorpelingen vermoordden, bestonden volgens de dorpsleider vooral uit Soedanese nomaden. Zij werkten samen met Tsjadische nomaden die nog altijd rondom de dorpen wonen.

Dit soort aanvallen begon in september 2005 in Oost-Tsjaad, als gevolg van het conflict in Darfur. Eind 2006 was het hoogtepunt van de aanvallen, maar vooral in de grensgebieden komen ze soms nog steeds voor.

Vorig jaar maart namen de dorpsleider en het districtshoofd het initiatief om de Dadjo’s met de omwonende nomaden te verzoenen. Wat hielp, is dat de moeder van het districtshoofd uit een nomadenfamilie komt en zijn vader Dadjo is. Hulporganisaties en lokale autoriteiten assisteerden bij de conflictbemiddeling. Het is de enige plek in Oost-Tsjaad waar de verzoening zo succesvol is, dat mensen op zo’n grote schaal terugkeren.

Dorpsleider Moustapha: „We hebben de problemen opgelost. Het gestolen vee komt niet meer terug, maar de banden met de Soedanese Janjaweedmilities zijn verbroken. Toen het districtshoofd en ik hier weer met onze families kwamen wonen, volgden steeds meer mensen. Het dorp is sindsdien niet meer aangevallen. We zien Eufor bewegen en korte praatjes houden, maar dat heeft geen invloed op de veiligheid. Er is een bandietenprobleem langs de wegen hiernaartoe, maar daar doen de Europese troepen ook al niets aan.”

Hawaï Haroune (32) denkt dat Eufor veel te verwijderd is als er iets gebeurt. Ze vertelt dit voor haar hut in Lobotigue, gemaakt van riet en een zeil van de UNHCR, dat ze uit het ontheemdenkamp meenam. De boerin woont er met haar vijf kinderen. De andere twee vrouwen van haar man, die marktkoopman is, wonen in hutten naast haar. „Afgelopen juni kwam ik hier terug. Ik zag veel anderen teruggaan, dus ik dacht dat het wel veilig zou zijn.”

Na de aanval eind 2006, waarvan ze weinig zag omdat vrouwen en kinderen het gebied meteen ontvluchtten, dacht ze hooguit een maand in het ontheemdenkamp te hoeven blijven. Haroune: „Ik ben blij om weer hier te zijn, maar het leven voor de aanval was beter, toen we nog met alle families samen waren. Maar ze komen vast terug. Daarom ga ik volgend regenseizoen ons huis opbouwen met modderbakstenen.”

mailIcon print |