*

 

Niet alles op tafel in Irak-onderzoek

Hans van Baalen − 28/01/09, 00:00

Volledige openheid over aanloop naar Iraqi Freedom is gevaarlijk voor Nederlandse militairen en burgers.

De VVD-fractie in de Tweede Kamer heeft zich nooit ten principale tegen een parlementair onderzoek naar de politieke steun van Nederland aan de operatie Iraqi Freedom gekeerd. Sterker nog: de VVD-fractie in de Tweede Kamer vindt het onaanvaardbaar dat de fracties van CDA, PvdA en ChristenUnie zich bij een coalitie-akkoord hebben laten beroven van het recht van onderzoek en enquête. Wanneer zich relevante nieuwe feiten voordoen of wanneer er aanleiding is te veronderstellen dat de Kamer door de regering onjuist is geïnformeerd, dan kan een parlementair onderzoek in de Tweede Kamer een meerwaarde bieden ten opzichte van de daar reeds gevoerde debatten, dan wel geboden zijn. De VVD-Tweede-Kamerfractie is steeds van mening geweest dat er geen aanleiding was tot een parlementair onderzoek of enquête.

De VVD-fractie in de Eerste Kamer is van mening dat er almaar ’mist’ blijft hangen en dat de regering er in haar beantwoording van de vragen van de Eerste Kamer niets aan doet om die mist te laten optrekken. De Eerste Kamerfractie vindt dat als die mist niet weggenomen wordt, een parlementair onderzoek door de Eerste Kamer in de rede ligt. Het feit dat de Eerste Kamer meer op afstand van de politieke actualiteit opereert dan de Tweede Kamer, die nauw bij de besluitvorming rond operatie Iraqi Freedom is betrokken, maakt een eventueel onderzoek door deze Kamer van reflectie zelfs wenselijker dan een gedeeltelijk zelfonderzoek door de Tweede Kamer. Het feit, dat de regering er zeven maanden over deed om de Eerste Kamer te antwoorden, getuigt niet van het noodzakelijke respect voor de senaat en miskent de ernst van de zaak zelve. Politiek en institutioneel zijn er dus voor de VVD geen beperkingen om een parlementair Irak-onderzoek te steunen, noch aan deze, noch aan gene zijde van het Binnenhof.

Zelfs indien er over de juridische en politieke onderbouwing van de Nederlandse politieke steun aan Iraqi Freedom geen wezenlijke onduidelijkheid bestaat, kan er reden zijn tot een parlementair onderzoek over te gaan. De kabinetten-Balkenende hebben steeds gesteld dat het besluit tot politieke steun aan Iraqi Freedom niet op de aanwezigheid van massavernietigingswap[ens (mvw’s) is gebaseerd, maar op het niet aantonen door Saddam dat hij niet meer over deze wapens beschikte. Dat is formeel juist.

Het valt niet te volgen waarom het kabinet niet wil ingaan op de kwestie of zij destijds de overtuiging had of Saddam wel of niet over mvw’s beschikte. Waarom het kabinet krampachtig weigert zich uit te laten over de dilemma’s ten aanzien van Iraqi Freedom en het volkenrecht en de keuzes die destijds gemaakt werden, valt evenmin te begrijpen. Deze verkrampte houding schept de door de VVD-fractie in de Eerste Kamer genoemde ’mist’.

Wanneer de Staten-Generaal zich duidelijkheid wenst te verschaffen over de rol die de Amerikaanse en Britse inlichtingen bij de besluitvorming door de Nederlandse regering hebben gespeeld, dan doet zich echter een serieuze complicatie voor. Noch de betrokken ambtenaren, onder wie de directeuren van de MIVD en de AIVD, noch de betrokken bewindslieden kunnen in de openbaarheid uitspraken doen over de Amerikaanse, Britse of andere inlichtingen. Zij zullen dat dan ook weigeren.

Zouden zij wel vrijuit spreken of zouden zij onder ede in een parlementaire enquête daartoe gedwongen worden, dan schendt Nederland de onuitgesproken regel van de internationale inlichtingengemeenschap dat men elkaars informatie nooit aan de openbaarheid prijsgeeft en nooit als officiĆ«le bron gebruikt. Nederland blijft dan in de toekomst verstoken van vitale inlichtingen die voor de veiligheid van onze troepen in Afghanistan en voor onze burgers in Nederland van groot belang kunnen zijn. Nederland heeft op dit moment in de internationale inlichtingengemeenschap een voortreffelijke reputatie en beschikt daardoor over veel informatie van haar bondgenoten. Die wordt dan verspeeld.

Wanneer we er van uitgaan dat geen van beide Kamers de inlichtingenpositie van Nederland zal willen verspelen, dan zullen gesprekken op vertrouwelijke basis moeten worden gehouden, zoals dat in de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer het geval is. Dat verhoudt zich evenwel niet met het doel van parlementair onderzoek: in de openbaarheid duidelijkheid scheppen, verantwoordelijkheden vaststellen en lessen trekken.

Een parlementair Irak-onderzoek, hetzij in de Tweede Kamer wanneer zich nieuwe feiten voordoen, hetzij in de Eerste Kamer ten aanzien van de geconstateerde ’mist’ kan nodig zijn omdat aanvullende duidelijkheid geboden is. Misschien niet zozeer voor de Staten-Generaal zelve als wel voor het grote publiek. In dat geval zal de omvang en de breedte en de diepte van het parlementaire onderzoek zorgvuldig omschreven dienen te worden, waarbij te allen tijde voorkomen moet worden dat Nederland op inlichtingengebied droog wordt gezet. Daarover moet bij het besluit tot onderzoek absolute duidelijkheid worden geschapen.

Hans van Baalen
lid VVD-fractie in de Tweede Kamer

mailIcon print |