Eindelijk heeft ook Nederland een exemplaar van ’Die hystorie vanden grooten Coninck Alexander’.
Hoe vervoer je een boek dat 100.000 euro heeft gekost? Liefst niet in een glimmende koffer met een ketting eraan, zegt Marieke van Delft, conservator Oude Drukken van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag. In een simpel plastic tasje levert de koerier gistermiddag de nieuwste aanwinst af. Als Van Delft het bobbeltjesplastic wegneemt, oogt het boekje heel onopvallend.
’Die hystorie vanden grooten Coninck Alexander’ (1491) is een incunabel, een boek dat tussen 1450 en 1500 gedrukt is. De tekst rijmt niet, wat bijzonder is voor die tijd, en is niet in Latijn maar in het Nederlands. Elf houtsneden geven een inkijkje in het middeleeuwse leven. Van Delft voelt aan de band van perkament en zegt dat er dierenharen aan de buitenkant hebben gezeten.
Het boek vertelt de fictieve levensloop van Alexander de Grote. „Het merendeel van de boeken was toen gerelateerd aan godsdienst. Bijbelse en devotionele teksten moesten gelovigen helpen bij hun zielsbeleving. Dit boek diende ter verstrooiing. Het was niet bedoeld om voor te dragen, maar om in stilte te lezen.”
Sinds in december bekend werd dat het geveild zou worden, heeft ze zich verdiept in alle achtergronden ervan. Maar hoe groot het precies is, moet blijken nu ze een liniaal pakt –-het feitelijke begin van het wetenschappelijk onderzoek. „18,5 bij 13 centimeter. Het heeft 54 bladen, dus 108 bladzijden.” Ze houdt het papier tegen het licht en wijst op de doorschijnende lijnen. „De schepzeef van de papiermakers had waterlijnen, dwarse draadjes en kettinglijnen, en vaak werd daarop een watermerk gemaakt.” Naar het watermerk is het even zoeken. Achterin staat een eenhoorn afgebeeld, het drukkersmerk van Christiaen Snellaert uit Delft.
Het papier oogt opvallend fris en stevig. „Dat werd toen nog van lompen gemaakt. Toen papiermakers lompen verruilden voor houtsnippers begon de ellende.” Opeens werd papier veel vergankelijker.
Een lezer uit Nijmegen heeft ergens wat rekensommen en de datum 5 mei 1808 neergekrabbeld, „alsof het een kladpapiertje was”. Van Delft ziet zulke littekens als interessante sporen. „In 1764 is dit boek verkocht, dat weten we uit een catalogus. In latere bibliografieën stond dat niemand het sindsdien had gezien, dat zelfs betwijfeld moest worden of het wel ooit had bestaan.”
Toen het pas in 1976 weer opdook uit particulier bezit, kregen de KB en de Universiteitsbibliotheek Utrecht onvoldoende geld bijeen om het te kopen. Nu lukte dat wel, dankzij de Mondriaan Stichting en Vrienden van de KB. „Eindelijk hebben wij een exemplaar in Nederland. Het is een belangrijke schakel in de Middelnederlandse verhalende literatuur.”
Onderzoekers kunnen de tekst vergelijken met oude Alexander-handschriften. Het verhaal is namelijk afkomstig uit de ’Bijbel van 1360’, waarvan veertig handschriften bestaan, en die naast Bijbelverhalen ook historische verhalen bevat.
Wekelijks bestudeert Van Delft catalogi van veilingen en speurt ze het internet af. Jaarlijks koopt de KB zo’n 175 oude drukken. „Maar dit kom je slechts eens in je carrière tegen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.