De kwestie die ik hier ga aansnijden lijkt futiel, maar ik verzoek u, laat u meevoeren in een universum dat op het eerste gezicht niet het uwe lijkt. Of toch wel?
Het gaat om het volgende.
De cavia’s zijn opgewonden. Of bronstig. Of loops. Ik weet niet hoe dat bij cavia’s heet. Ze zitten met z’n tweeën al maanden in een kooi, hun wereld bestaat uit een huisje in de hoek, met ronde kijkgaten, en een tunneltje van wilgetenen. Aan het rasterwerk boven hun hoofd hangt aan een ketting een stalen bolletje met hooi. Aan de zijkant van de kooi is een fles bevestigd, met een lurktuitje eraan. Hun voeding krijgen ze aangereikt in twee schaaltjes, een voor brokken, en een voor sla, wortel of broccoli. Hun vloer is bedekt met stro en oude kranten. Als ze zich uitrekken en over de dichte rand heen kijken, hebben ze uitzicht op de keuken en op de tuin. Ze staan altijd binnen – in de warmte. Op de temperatuur in de ruimte hebben ze geen invloed, ze zijn eraan overgeleverd.
Dat is hun wereld. Het lijkt nog heel wat als je het zo opsomt.
De cavia’s zijn opgewonden, zei ik al. Ze voelen de geslachtsdrift. Maar hoe die te bevredigen: het zijn twee vrouwtjesdieren. Hier nu opent zich dat universum dat ik bedoelde. Ik kan er een tijdje van bovenaf op neerzien, op die beestjes in hun kooi, met hun ultrahoog geknor, de schokkende bewegingen met het achterlijf, het elkaar najagen in sprintjes van twee of drie decimeter – meer ruimte is er niet. Maar wat ik eigenlijk doe en misschien herkent u dit ten diepste, is mijzelf tot cavia verklaren, mijzelf een caviabestaan onder zulke omstandigheden voorstellen, met hoogte- en dieptepunten, met die stalen bol, die te warme vacht, die stalen nippel om uit te drinken en dat houten huis, waaraan ik mijn pijnlijk doorgroeiende tanden slijp. En dan voel ik die onverklaarbare aandrang in het onderlijf, een heftig verlangen, en weet niet hoe die te stillen.
Ik zou op al deze gedachten en overwegingen niet gekomen zijn als ik niet op de persbijeenkomst was geweest waarop het nieuwe motto van de Boekenweek, straks in maart, werd toegelicht. ’Tjielp, tjielp – de literaire zoo’ luidt het. Gaat over dieren. Voor de bijeenkomst waren acht auteurs uitgenodigd in wier werk dieren een prominente rol spelen. Een van hen was schrijver en journalist Koos van Zomeren. Hij was het die me tot de caviabeschouwing bracht. ’Kun je je voorstellen hoe het dier het leven ervaart?’ vroeg hij zich af en noemde zo’n oefening in empathie ’een uiting van fundamentele lotsverbondenheid’.
Er is in literaire zin veel en schitterend over dieren geschreven. Er zijn kattenschrijvers en hondenschrijvers, en er zijn dichters en schrijvers die alle soorten aankunnen, een Kees Stip of een Anton Koolhaas. Maar de Grote Roman van de Cavia, die ontbreekt nog geloof ik. Een leven in een broeikas, gezien door een paar kraaloogjes. Misschien is het in de kern niet veel anders dan het mijne.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.