Waar geleefd wordt, vallen doden. Het verband tussen uitleven en uitsterven is minder rechtlijnig. Er sterven meer organismen uit dan in duizenden jaren voorkwam, terwijl één organisme zich uitleeft.
Dat een zoogdier van vijftig à honderd kilo met miljarden voorkomt, is nooit eerder gebeurd. En dan nog wel een alles etend zoogdier met een consumptiepatroon van jewelste. Hoewel menigeen verontrust raakt als de groei eruit raakt, lijkt mij die groei juist het probleem. Binnen een begrensde leefomgeving kun je immers niet eindeloos doorgroeien? Vandaar dat steeds minder organismen ruimte hebben en uitsterven. Is dat erg? IJstijden, meteorieten en een zondvloed hebben voor uitsterfpieken gezorgd, en nu doet de mens het een keer. Dat we tonijn en kabeljauw uitroeien, vinden we lastig als we de vis duur betalen. Dat de Koreaanse tijger en de Kaapse leeuw zijn uitgeroeid, vinden we jammer. Maar we laten de grutto er niet minder hard om uitsterven. Pas als het bijna zover is, beginnen we in paniek aan fokprogramma’s. Menno Schilthuizen beschrijft in ’The Loom of Life’ dat de laatste Amerikaanse condors gevangen werden, opdat ze veilig voor vergiftigd aas en andere ongemakken eieren zouden uitbroeden. Ze werden goed verzorgd, het voortbestaan van de grootste vliegende vogel ter wereld stond op het spel. Ze kregen te eten en verzorgers hielden hun conditie in de gaten. De reuzengieren werden zelfs gevlooid. Ze hadden zoals alle vogels last van veerluizen. Er zijn vele condorkuikens uitgebroed en uitgezet. De soort is gered. Maar ondertussen roeiden de verzorgers de alleen in (en van) condorveren levende condorluis uit. Een diersoort minder. De condors zullen hem net zomin terug willen, als wij de mensenvlo.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.