opinie Veel mensen, zo blijkt uit een recente enquête, vermoeden wel een diepere kern in zichzelf, maar doen daar verder niets mee. Ze gaan ermee om als met het Nationaal Monument op de Dam: ze loper er langs, praten er met een zeker respect over, maar nemen zelden de moeite om er eens echt bij stil te staan.
Het spreken over een ’diepere kern’ of ’beter ik’ of ’ware zelf’ roept overigens misverstanden op. Het is niet zo dat ernaast mijn betere ik een slechter ik (slechterik?) zou zijn, of dat ik bewoond word door een ’onwaar zelf’ dat wringt met het ’ware zelf’ in mij.
Zoals altijd, is de waarheid eenvoudig. Er is één ’Ik’ of ’Zelf’. Dat is God die zichzelf aan Mozes introduceerde als ’Ik ben’.
Wij zijn een ’ik’ of een ’zelf’ in zoverre wij in hem gegrond zijn en in zijn licht leven. Dit is een paradox: naarmate ik meer uit God leef, word ik meer mijzelf.
Het goddelijke licht schijnt in de ene mens helderder dan in de andere. Het wordt belemmerd door onze inspanningen er vooral toch te mogen zijn, of om er juist niet te zijn, zegt de filosoof Kierkegaard.
Het wordt verduisterd door het stof en de spinnenwebben van onze angsten en vooroordelen. Het wordt buitengesloten door onze duizenden manieren om te overleven.
We vergeten dat we geankerd zijn in God en zoeken vertwijfeld vastigheid in werk, bezit, familie, een ideologie of andere passie. ’Weten jullie dan niet dat Gods Geest in je woont?’ verzucht de apostel Paulus.
Ach, daarvan hebben we wel een vermoeden maar, zo blijkt ook uit de enquête, we komen er niet aan toe.
Onbegrijpelijk is dat niet. Het opruimen van al dat stof en die spinnenwebben is een hele klus. Dit wordt de spirituele weg genoemd, de weg van het geloof. Jezus vergelijkt het met het zware werk van het opgraven van een schat in een akker.
Het duurt een tijd voordat je al die kluiten en stenen opzij hebt gelegd. Maar als je de blinkende schat hebt gevonden, wil je uit vreugde alles wat je bezit wel verkopen. Want wat is ’hebben’ vergeleken met ’zijn’?
Zelden wordt opgemerkt dat, in de gelijkenis van Jezus, degene die de schat gevonden heeft die onmiddellijk weer verbergt. Hier klinkt iets door van de praktijk van geheimhouding (disciplina arcana) van de jonge kerk. Zodra je je namelijk op die schat gaat beroepen of ermee te koop loopt, gooi je er alweer modder overheen.
De schat houdt in dat het goddelijke licht door je heen schijnt. Wat kun je daaraan toevoegen? Alles wat je erover zegt of aan prutst doet er alleen maar aan af. Eigenlijk kun je er alleen van zwijgen. Of zingen. Wel zal het verborgen licht alles wat je doet en zegt iets transparants geven en respect afdwingen.
Neem Florence Nightingale. Ze groeide op in een aristocratisch milieu, vertaalde boeken van de mystici en leverde een belangrijke bijdrage aan de wiskunde. Maar vooral is ze bekend geworden als grondlegger van de moderne verpleging. De dichter Longfellow bezong haar als ’The lady with the lamp’. Dit slaat op het lichtje waarmee ze tijdens de Krimoorlog ’s nachts onvermoeibaar door de barakken vol gewonde soldaten ging. Maar helderder dan haar lamp gaf ze zelf licht, goddelijk licht, in haar mededogen en ontferming. Ze discussieerde niet zoveel over het geloof. Ze was het geloof. The lady is the lamp.
Vandaag wordt de kerk door velen niet als spirituele hulp bij het schatgraven gezien. Daarvoor is er teveel verdeeldheid in de kerk. Zekerheid en geborgenheid zijn te belangrijk. Er hangen spinnenwebben van zorg over de toekomst. Er wordt te luid en te opgewekt geprobeerd de kerk ’bij de tijd’ te brengen.
Werkelijk fataal, denk ik, is dat de schat niet verborgen wordt gehouden. De kerk wordt voorgesteld als een winkel die iets bijzonders in de aanbieding heeft. Van haar diaconale hulp wordt berekend hoeveel dat de overheid wel niet aan kosten bespaart. Breed wordt uitgemeten hoe nuttig en zingevend de schat die de kerk gevonden heeft wel niet is.
De kerk loopt te koop met de schat. Zo verduistert zij haar glans. Ze gooit er kluiten zelfbevestiging en zelfrechtvaardiging overheen.
Laatst was ik samen met een kunstenaar op zoek naar een kerkgebouw voor een kunstproject waarin de kerk verdwijnt in de mist. Licht zou het enige zijn dat overbleef. Dat vonden de kerkenraden geen goed idee, o nee.
Ach kerk, werk toch niet zo hard! Probeer er niet zo vertwijfeld te zijn! Meer is minder en minder is meer. Ook dit is een paradox: naarmate de kerk de schat verborgen houdt, zal die door haar heen gaan blinken.
Dan valt de kerk op, door er ongewoon te zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.