In een volle trein bedenk ik hoe het zou zijn als wij mensen net als eekhoorns een staart zouden hebben. Het oudere echtpaar tegenover me, de twee kleine jochies met hun moeder, die schuin voor me zitten, de druk bellende schoolmeisjes. Bij hen allemaal en ook bij mezelf natuurlijk fantaseer ik zo’n sierlijk, pluizig ding achter ons. Stel je voor, zo’n eekhoornstaart, even lang als ons eigen lijf. Dat zit heel anders. We zouden meer rechtop zitten, de staart tegen de leuning, die dan geen rugleuning meer heet, maar staartleuning natuurlijk. Beter voor de houding. Wat zullen we een spieren hebben, als dat zo is. En hoe zag onze kleding er dan uit? De sluiting aan de achterkant, zodat die netjes rondom de staart dicht zou gaan? Heel anders zou het zijn, heel anders dan zoals het nu is. Ik stel me voor hoe het aankleden dan gaat, een broek die je aandoet, hoe een avondjurk zou zijn. En welke kleur die staart zou hebben. Net zo mooi oranjebruin als die van de eekhoorns, of zou je ze in de kleur van mensenhaar hebben, blond, of zwart. Zo’n staart biedt eindeloze mogelijkheden om te verven, te versieren. Natuurlijk heeft die staart ook zijn lastige kanten. In gedachten zie ik een dame heupwiegend door het gangpad lopen die met de staart onbedoeld een ander in het gezicht kriebelt. Ze excuseert zich. Met een staart moet het leven anders zijn. Eekhoorns zwieren van boom tot boom, en gebruiken hun staart als vleugel. Dat zou ik ook wel willen, de trein uitspringen met een zwierige sprong en dan veel verderop op het perron landen. Of, als ik een trein wil halen, in twee sprongen van de roltrap rennen. Ik ben, eerlijk gezegd, nogal jaloers op eekhoorns. Ik kijk veel naar ze. zoals ze door de lucht zweven. Ze eten van twee walletjes, het zijn eigenlijk enorme opportunisten, met hun weigering een keus te maken voor de lucht of de grond. Ze zijn een beetje vogel en een beetje een hamster. Ze kunnen vliegen en klimmen, ze voelen zich thuis boven in bomen en ook op de grond. En ze eten een beetje als mensen, met een stukje brood tussen hun pootjes.
En ruzie dat ze maken, als ze allebei hetzelfde stuk brood willen. Dat gaat er fel aan toe. Fel en stil, want ze maken niet veel geluid. Het zijn stille dieren, dat is nog een verschil met de mens. Als ik een eekhoorn was, maak ik minder geluid dan nu. Ze praten niet veel. Het geluid dat ze wel eens maken is een soort hoog gepruttel. Een pruttelbrom, zoiets.
Een dag een eekhoorn zijn, nou, doe maar een week. Zou ik dan net zo naar de andere eekhoorns kijken als ik nu doe? Nu kijk ik veel naar alles wat ze doen. In de pindaslinger hangen, hun eekhoornbillen ongegeneerd over een twijg laten hangen terwijl ze aan de pinda’s rukken.
Als ik toch zo’n staart had. Wat zou ik dan zwieren. Dan zou ik ook heel hard lachen en joelen, want stil zijn, als je als mens een dagje een eekhoorn bent, dat is te veel gevraagd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.