*

 

Zelfs Fred Teeven gooit met modder naar de rechter

Hans Goslinga − 24/01/09, 00:00

opinie Het PVV-Kamerlid Wilders heeft de beschikking van het Amsterdamse hof om strafvervolging tegen hem in te stellen vrijwel direct als ’een politiek vonnis’ gekwalificeerd. Hij was niet het enige Kamerlid dat kritiek uitoefende op de uitspraak. In zijn spoor bevonden zich Agnes Kant (SP), Rita Verdonk (TON) en zelfs het VVD-Kamerlid Teeven, die in zijn vorig leven officier van justitie was en dus zelf deel uitmaakte van de magistratuur. Hij noemde het zorgelijk dat Wilders van het hof moet worden vervolgd voor uitspraken ’die hij als politicus heeft gedaan’.

Kennelijk lijdt Teeven, net als Wilders, aan de misvatting dat politici boven de wet staan. Die vergissing is misschien nog wel uit de wereld te helpen. Ernstiger is dat zoveel Kamerleden zich niet geremd voelen inhoudelijke kritiek te leveren op een vonnis, zelfs als de inkt daarvan nauwelijks droog is. Ze zaaien daarmee twijfel aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter.

Tot voor een aantal jaren behoorde het tot de mores van de Kamer zich terughoudend op te stellen in zaken die onder de rechter zijn. Die regel, ingegeven door de scheiding der machten, erodeert steeds verder. Dat is zorgelijk, omdat de rechtsstaat ten diepste rust op wederzijds vertrouwen tussen overheid en burgers en tussen burgers onderling, met de rechter in de rol van conflictbeslechter. Dat is geen abstractie. Wie de spelregels van de rechtsstaat negeert of bewust aan zijn laars lapt, ondergraaft het vertrouwen waarop onze democratische samenleving kan bestaan.

Wilders noemde de beschikking van het hof ’een zwarte dag voor de vrijheid van meningsuiting’. Maar waarom? Nauwelijks twee weken geleden vroeg hij aan de ministers van justitie en binnenlandse zaken waarom de Rotterdamse politie had verzuimd betogers te arresteren die antisemitische leuzen hadden geroepen. Volgens hem hadden deze ’Arabische straatterroristen’ zich schuldig gemaakt aan belediging en het aanzetten tot haat. Hij beseft dus wel dat er grenzen zijn aan de uitingsvrijheid, maar acht zichzelf er kennelijk niet aan gebonden.

In kwesties als deze valt het vaak op hoe selectief politici kunnen zijn in hun verontwaardiging en hoe inconsistent in hun argumentatie. Zo toonde Teeven zich ontstemd dat de rechters van het hof het beter meenden te weten dan het Amsterdamse OM. Dat had vorig jaar zomer na zorgvuldige afweging besloten Wilders niet te vervolgen, omdat hij zijn uitspraken over de islam en de Koran had gedaan in de context van het maatschappelijke debat. Maar in de affaire rondom de cartoonist Gregorius Nekschot beschuldigde VVD-fractieleider Rutte hetzelfde hoofdstedelijke OM vorig jaar in de Kamer van ’een politieke arrestatie’.

Een ander voorbeeld. SP-fractievoorzitter Kant zei deze week dat je het niet aan rechters moet overlaten ideeën te bestrijden. Maar wie heeft de SP gehoord toen de rechter in 2005 de minister van binnenlandse zaken beval de overheidssubsidie aan de SGP te ontnemen, omdat deze partij vrouwen publieke functies ontzegt? Daarover heeft niet één Kamerlid de staf gebroken, hoewel ook die uitspraak raakte aan de vrijheid van het woord en het functioneren van gekozen volksvertegenwoordigers. Overigens is in dit geval de taak van de rechter niet om de opvattingen van Wilders te bestrijden, maar om na te gaan of hij een strafbaar feit heeft begaan.

Nog een voorbeeld. Tien jaar geleden drongen de fractieleiders van zes niet-christelijke partijen aan op strafvervolging van het orthodox-protestantse Kamerlid Van Dijke vanwege zijn uitspraak dat homoseksualiteit in zijn visie even zondig is als diefstal. Maar in weerwil van hun haastige spoed hem aanstonds wegens belediging te veroordelen, sprak de rechter hem uiteindelijk vrij. D66 betuigde achteraf tegenover Van Dijke haar spijt. De partij moest wel, want na de moord op Theo van Gogh in 2004 plaatste zij, net als de VVD, de vrijheid van meningsuiting voorop in de rangorde der grondrechten. De VVD bood overigens geen excuus aan.

Er zijn nog andere voorbeelden uit de recente periode die duidelijk maken dat de afweging van de grondrechten in specifieke gevallen bij de rechter in betere handen is dan bij de veranderlijke politici. Dat zou de Kamerleden tot enige bescheidenheid moeten nopen en tot meer consistentie in hun opvattingen. In dat verband is van belang in herinnering te roepen dat de Kamer in 2003 unaniem aan de minister van justitie vroeg het OM opdracht te geven de vervolging en bestraffing van haatzaaien, racisme en discriminatie te intensiveren. Misschien maakte het verschil dat de Kamer deze uitspraak deed na een debat over radicalisering onder moslims, maar dan had zij moeten weten dat vrouwe Justitia weegt en bestraft zonder aanzien des persoons.

In de afkeurende reacties op het hof viel het ten slotte op dat de notie ontbrak dat het recht zijn loop moet hebben. Wilders is, hoewel het door zijn misbaar wel zo lijkt, niet de enige partij in het geding. Aan de andere kant staan organisaties en mensen, onder wie de cabaretier Jörgen Raymann, die zich door Wilders’ gefulmineer tegen de islam beledigd voelen en tegen het OM-besluit om van vervolging af te zien, beroep hebben aangetekend. Zij zijn nu alsnog, met uitvoerige redenen omkleed, in het gelijk gesteld en mogen dus op een oordeel van de rechter rekenen.

Het hof heeft gewoon inhoud gegeven aan het bijna tot cliché geworden woord ’dat er altijd nog de rechter is’. Het is merkwaardig dat Wilders en zoveel andere Kamerleden, onder wie zelfs een oud-magistraat, deze laatste stee van de rechtsstaat nu ineens als een te vrezen werkelijkheid voorstellen.

mailIcon print |