Thijs Al fungeert morgen tijdens het WK veldrijden in het Brabantse Hoogerheide als eerste adjudant van uittredend wereldkampioen Lars Boom. „Een teamspeler ben ik niet.”
In Volksabdij Onze Lieve Vrouw vallen verslaggevers bijna over elkaar heen als Lars Boom de koffiezaal betreedt. Iedereen wil weten of de Vlijmenaar zich in staat voelt zijn wereldtitel te verdedigen. Van een afstandje slaat Thijs Al de commotie rond de kopman van de Nederlandse equipe met genoegen gade. Het geeft hem de gelegenheid in alle rust een potje thee te bestellen.
Al weet, dat Boom zich niet uit de tent laat lokken. En mocht de Brabander zich onverhoopt verspreken, dan zullen diens woorden uitsluitend in Vlaanderen een rel veroorzaken. De Belgische renners proberen sinds enkele weken via de pers een wig te drijven in het Nederlandse kamp door Boom en zijn ploeggenoten in een kwaad daglicht te stellen.
De speldenprikjes doen Al niets. Tot zijn schik maakte hij onbedoeld zelf deel uit van de polemiek. „Ik vertelde aan een journalist, dat de Belgen ons moeten vrezen”, grinnikt hij. „Een paar uur later kwam ik mijn uitspraken tegen op de Vlaamse teletekst. Driemaal. Leuk, toch? Vroeger vond ik mijn naam nauwelijks terug. Kennelijk nemen ze me dit jaar een stuk serieuzer.”
Al begrijpt de hetze. De Zuiderburen ergeren zich aan de harmonieuze voorbereiding van de Nederlanders. „Zij hebben zeven renners die wereldkampioen kunnen worden”, legt de Zaandammer uit. „Dat maakt het lastiger voor hen. Wij doen qua sterkte onder voor de Belgen, maar als groep kunnen we iets moois neerzetten. Daar is iedereen bij ons zich goed van bewust.”
De immense populariteit van het veldrijden aan de andere kant van de grens verstoort de groepsvorming. „In België wordt een wereldkampioen heilig verklaard. Iedereen wil per se winnen. Bij ons ligt dat iets anders. Wij gunnen elkaar oprecht wat. Een officiële vergadering beleggen om de gelederen te sluiten, zoals de Belgen herhaaldelijk hebben gedaan, hoeft bij ons niet.”
Gehannes over financiële vergoedingen voor het verrichten van knechtenwerk zorgde bij de Nederlanders dan ook niet voor strubbelingen. „Als ik daadwerkelijk iets voor Lars kan betekenen in de koers, staat daar iets tegenover”, zegt Al. „Dat hoeft niet zwart op wit te staan. Wat dat betreft loopt het een stuk soepeler dan bij de Belgen. Wij hebben vorig jaar bij het WK in Treviso heldere afspraken gemaakt. Die gelden nu nog steeds.”
Van druk van hogerhand is volgens Al geen sprake geweest. Boom dwong zijn status apart op natuurlijke wijze af. „We hebben ons niet eens als team voorbereid. Nergens voor nodig. We komen elkaar ieder weekeinde tegen en trainen regelmatig samen. Dan zie je al snel hoe de vork in de steel zit. Hoe ik mezelf typeer. Als iemand die het hele jaar in de toptien eindigt en in echt goede doen voor de prijzen kan meedoen.”
Al bezweert, dat Boom niet hoeft te vrezen voor een coup. De gedachte morgen als eerste over de streep te eindigen, houdt hem niet eens bezig. „Als ik de regenboogtrui om mijn schouders krijg, ga ik heel gekke dingen doen”, grapt hij. „Eerlijk gezegd denk ik daar niet over. Ik kan wel dromen van zo’n tricot maar van realisme zou het niet getuigen. Laat mij maar nuchter blijven.”
Ondanks deze bescheiden opstelling denkt hij als een individualist. „Een teamspeler ben ik niet”, stelt de 28-jarige coureur. „Ik deed elf jaar aan korfbal, maar stopte om die reden. Ik kon er niet tegen als een ander zijn best niet deed. Laat mij mijn eigen ding maar doen. Dan kan ik mezelf de schuld geven. Negen van de tien keer train ik alleen. Alleen om de sleur te doorbreken, fiets ik af en toe in groepsverband. Dat kan. Als veldrijder ben je eigen baas.”
Al overdrijft niet. Na een carrière als mountainbiker – een discipline waarin hij viermaal Nederlands kampioen werd en deelname aan de Olympische Spelen in Athene afdwong – koos hij voor een avontuur op de weg bij Bankgiroloterij. „Het ging goed, maar het was geen wereld die me paste. Het fietsen als een team lag me niet. Voor een ander rijden wilde ik best, mits ik af en toe voor mijn eigen kansen mocht gaan. Die kreeg ik niet. Toen leverde ik mijn contract in. Zo’n rare ben ik dan.”
Het veldrijden, waarin hij in 2007 belandde, ligt hem beter. Na een moeizame start vond de Zaankanter dit jaar de aansluiting met de top. Zijn zege in de wereldbeker (Zolder) getuigt daarvan. Volgend seizoen wil de renner van AA Drink wekelijks op het podium staan. „Morgen fiets ik nog in de luwte van Boom. Daarna moet ik een stap maken.”
Al voorziet een tactische race met veel ontsnappingen. Boom geeft hij de beste kansen op de wereldtitel. „De Tsjech Zdenek Stybar en de Vlaming Niels Albert maken ook een kans. Zeg maar de topdrie van het WK voor beloften in 2006. Op de ervaren Belgen reken ik niet. Die vallen elk jaar om van de stress. Dat gebeurt nu weer.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.