*

 

Oeroude christelijke traditie in gevaar

Eildert Mulder − 02/02/09, 00:00

Christenen in Irak zien hun bestaan bedreigd, en meer nog sinds de val van Saddam. Wie beschermt deze oude traditie in het christendom? In Den Haag bezonnen Iraakse christenen zich.

Wat doe je als je een jonge christen bent in Irak en je wilt je horizon verbreden? Leeftijdsgenoten leren in zo’n geval bijvoorbeeld vloeiend Engels, maar onder Iraakse christenen schijnt er een tendens te zijn om maar liever Frans te leren.

Dat vrijwaart je van de verdenking dat je je islamitische landgenoten bespioneert voor de Amerikanen. Het is een van de verhalen die te beluisteren valt op de bijeenkomst van de Vereniging van Iraakse christenen in Nederland, afgelopen zaterdag in Den Haag.

Er heerst nog wel eens het misverstand dat alle Arabieren moslims zouden zijn. Het percentage christenen neemt inderdaad gestaag af in de Arabische wereld maar iedereen bij elkaar opgeteld wonen er in die regio toch nog wel tegen de tien miljoen christenen.

In Irak zijn dat er op dit moment nog zo’n driehonderdduizend. Vroeger waren dat er aanzienlijk meer maar in de laatste decennia hebben honderdduizenden christenen het land van de kleitabletten en de Eufraat en de Tigris verlaten.

Met name in de jaren na de verdrijving van dictator Saddam Hoessein in maart 2003 werd de positie van christenen heel moeilijk. Er was ineens geen staatsgezag meer, ook het Amerikaanse leger kon dat vacuüm niet opvullen. Als eerste sloegen bandieten hun slag, vervolgens kwamen allerlei vormen van verzet tegen de Amerikanen op gang.

Al-Kaida ging zich met de gang van zaken bemoeien. De verschillende verzetsgroepen kozen ook elkaar als doelwit. Er ontstond met name een strijd tussen sjiitische en soennitische strijdgroepen.

Als minuscule minderheid van ruim een procent van de bevolking was het voor de christenen een bijna onmogelijke zaak om zich in die wanorde te handhaven. Soennieten, sjiieten en ook Koerden hebben hun tribale structuren. Ze kunnen terugvallen op hun stamverbanden, als het staatsgezag het laat afweten. Die stamverbanden boden overigens ook in de periode van Saddam enige bescherming tegen de ergste willekeur.

Vergelijkbare tribale structuren kennen de christenen veel minder en voor zover ze die toch hebben dan zijn hun clans beduidend zwakker dan die van de verschillende moslimgroeperingen.

Ingenieur Duraid Shayout, bestuurslid van de Vereniging van Iraakse christenen, legt uit voor welke dilemma’s christenen vaak komen te staan als gevolg van de chaos: „Ze stellen je voor de keus, of je wordt moslim, of je emigreert of ze maken je dood.” Je zou dan nog, om te overleven, ervoor kunnen kiezen om, enkel voor de vorm en tijdelijk, moslim te worden. Maar ook die strategie werkt niet, aldus Shayout: „Dan zeggen ze dat je nu dus één van hun bent en dat je daarom ook moet meevechten in hun militie. Ook willen ze dan ineens met je dochters trouwen.”

VU-hoogleraar Mient Jan Faber wijst in een toespraak op de verbetering, die er de afgelopen paar jaar is opgetreden in de algehele veiligheidssituatie in Irak. Vier jaar geleden nog konden mensen bij verkiezingen alleen op anonieme lijsten stemmen. Voor de kandidaten was het veel te gevaarlijk om met naam en toenaam op de lijst te staan vermeld, laat staan dat ze het zich konden veroorloven om campagne te voeren. De afgelopen weken daarentegen zijn de kandidaten voor de plaatselijke verkiezingen (dit weekeinde gehouden) gewoon de huizen langs geweest om propaganda te maken.

Faber, die een bijzondere leerstoel aan de VU heeft, komt geregeld in Irak vanwege een samenwerkingsproject tussen de VU en de Iraakse academische wereld. Hij constateerde uit eigen waarneming de verbetering maar tevreden is hij toch nog lang niet. In Mosoel is de situatie onverminderd gespannen en Faber heeft nog een kritische kanttekening: „Het gaat met de meerderheden in Irak goed maar niet met de minderheden. Het gaat pas echt goed met Irak als het ook goed gaat met de zwakken.”

De meerderheden zijn de sjiitische moslims, de Arabische soennieten en de Koerden. Heel belangrijk was de strijd, die soennitische stammen aanbonden met de terroristen van Al-Kaida. Hoewel ook Al-Kaida de soennitische islam aanhangt waren de Iraakse soennitische geloofsgenoten de moordpartijen zo beu dat ze Al-Kaida effectief gingen aanpakken.

Dat de christenen nog niet echt meedelen in de verbetering blijkt uit een lijstje van kerkelijke functionarissen, die de afgelopen tijd zijn vermoord. Een enorme schok bracht een jaar geleden de moord op de aartsbisschop van Mosoel te weeg, Paulos Faraj Rahho. In diezelfde periode waren er aanslagen op zeven kerken, drie in Mosoel en vier in Bagdad. Dat was in een periode waarin de algehele veiligheidssituatie in Irak al behoorlijk was verbeterd.

De Iraakse vereniging heeft misschien daarom wel, als een soort motto voor de dag, de sombere visioenen uit het bijbelboek Openbaring op de muur van de zaal geprojecteerd.

Wie moet ons beschermen? Dat is de grote vraag waar Iraakse christenen mee worstelen. De honderdduizenden die hun land van herkomst hebben verlaten hebben misschien geen last van een onrustig geweten want ze hadden redenen genoeg om uit te wijken. Toch knaagt het ook bij hen dat uitgerekend zij, dragers van de oudste Iraakse cultuur, hun land in de steek hebben gelaten. Maar wat konden ze anders?

Toen de heidense Friezen in 754 de zendeling Bonifatius bij Dokkum vermoordden was de vorig jaar verwoeste kerk in Mosoel, waarvan de aanwezigen een dia krijgen te zien, er al vierhonderd jaar. Die kerk stond er ook al enige eeuwen voor de opkomst van de islam. Herman Teule, hoogleraar in Nijmegen en Leuven en kenner van de oosterse kerken, wijst op het belang van de Iraakse christenen voor de cultuurgeschiedenis: „De christenen zien zich als de oorspronkelijke bewoners van Irak. De Iraakse geschiedenis is niet te begrijpen zonder de rol van de christenen.”

Westerse christenen hadden volgens Teule weinig oog voor het oosterse christendom. Het beeld was dat het christendom zich vanuit Jeruzalem had verspreid over de metropolen van het Romeinse Rijk. Dat er ook apostelen naar het oosten zijn getrokken was minder bekend. De oosterse christenen leefden in het Perzische Rijk geïsoleerd van hun geloofsgenoten in het Byzantijnse Rijk. Ze ontwikkelden hun eigen theologie, spiritualiteit en liturgie.

Al ongeveer in het jaar honderd woonden er christenen in wat nu Irak is en toentertijd deel uitmaakte van het Perzische Rijk. Alle grote schisma’s binnen de christelijke wereld moesten nog plaatshebben. In de zesde eeuw voegde zich bij deze oude christenen een nieuwe groep immigranten, die theologische problemen hadden gekregen in het Byzantijnse Rijk en daarom naar Perzië waren uitgeweken.

Een hoogtepunt bereikte het Iraakse christendom in de negende en tiende eeuw. Er heerste toen in het Arabische Rijk een grote intellectuele interesse. Het rijk was islamitisch maar christenen vormden een belangrijke culturele elite. Ze speelden een hoofdrol bij de vertaling van Griekse filosofische en wetenschappelijke werken in het Arabisch, via hun eigen taal, Syrisch Aramees, verwant aan de taal van Jezus.

In die periode vinden er godsdienstige dialogen plaats tussen christenen en moslims, waaraan ook kaliefen deelnemen. In een van die gesprekken voelt de kalief dat de christenen het achterste van hun tong niet laten zien. Hij formuleert een grondregel voor een dialoog: „Als we spreken over het geloof moeten we ons hart leegmaken.” Onbevangen met elkaar praten, dat bedoelt de vorst.

Pas rondom het jaar duizend worden de christenen een minderheid. In de zestiende eeuw zoekt een deel van de christenen contact met de kerk van Rome. Het resultaat van dit alles is dat de Iraakse christenen, klein in getal, onderverdeeld zijn in een bont mozaïek van congregaties. Een van de aanwezigen wil van Teule weten welke groep de oudste rechten heeft maar de hoogleraar kapt dat dispuut resoluut af: „Je moet die discussie overstijgen. Je komt er nooit uit.”

mailIcon print |