De wereld gaat door, of jij er nu bij bent of niet. Je tuin bloeit, ook als jij er niet bent om dat te zien. Over die ergerlijke vitaliteit gaat de poëzie van Kopland, ook zijn laatste bundel.
In ’Toen ik dit zag’, zijn eerste bundel in vier jaar tijd, doet een van Nederlands’ meest geliefde dichters, Rutger Kopland, dat wat hij al zijn gehele dichtersloopbaan lang doet. Hij laat zien wat er niet meer is. Hij laat voortbestaan wat is vergaan. Hij zet niet het wezen van tijd ter discussie, zijn motief is eenvoudiger. Hij wil dat alles blijft zoals het was en bezingt wat niet meer op de wereld is. Door wat verdwenen is te bezingen, lijkt de wereld wat minder leeg.
Zo kan een oude geit ineens weer naar de dichter loensen: „Ze is al heel lang dood / ik was een kind toen ze nog leefde / en nog staat ze daar en kijkt ze naar mij”. Een verdwenen esdoorn wordt opgewaardeerd tot een lege plek: „Ik zie hem / alleen nog voor me / als ik aan hem denk // als ik door de ruimte kijk / boven de lege plek/waar hij leefde.” Een vergane boerderij wordt een luchtspiegeling van de boerderij die ze eens was: „Wat zag ik toen ik bleef staan / en bleef kijken naar hoe / die boerderij daar stond.”
Misschien vatten we met dat laatste voorbeeld het werk van Kopland in één slag. Door het in werking stellen van een soort tijdmachine wijst de dichter ons op wat eens bestond; niet om in dat verleden te blijven, maar om vanuit het nu dat verleden voort te laten leven, opdat wij niet vergeten. Of zoals Kopland schreef in een eerdere bundel, ’Het orgeltje van yesterday’ (1992): „Weggaan kun je beschrijven als / een soort van blijven.” Wat was komt nooit meer terug maar blijft altijd bij je, zoiets.
In een andere eerdere bundel, ’Geduldig gereedschap’ (1993), verplaatste Kopland zich in een hond die het huis uit werd gezet. Hij schreef dat hij dat lijdzaam en stil zou ondergaan en een beetje voor zich uit zou gaan staren. De uitzetting zou weinig indruk maken want, zo scheef Kopland destijds, „dit was dezelfde tuin / geweest, dezelfde dag, als alle andere.”
In ’Toen ik dit zag’ keert die tuin als plaats van handeling terug. Kopland kreeg drie jaar geleden een zwaar auto-ongeluk waar hij ternauwernood van herstelde. Als hij ten langen leste thuis terugkeert zit de dichter voor het raam en ziet hij „hoe de tuin niet is veranderd / voor haar ben ik niet weggeweest”.
Maar de hierboven geciteerde regel uit ’Het orgeltje van yesterday’ indachtig, betekent dat in dit geval natuurlijk niet dat de ik-figuur in de ogen van de tuin in diens nabijheid gebleven is (de tuin is nu dus een personage geworden). Nee, in dit geval is de man irrelevant verklaard door meneer de tuin. Meneer de tuin groeide en bloeide door terwijl de dichter voor zijn leven vocht, en ergens wordt dat de flora door de tuineigenaar kwalijk genomen. „De tuin kijkt mij recht in mijn gezicht / het is vreemd te bedenken dat zij mij / niet kent, zich mij niet herinnert // na al die tijd dat ik hier niet was.” Wat waarschijnlijk de wens is van een overlever van een autocrash, is dat hij thuis een bruin uitgeslagen uitgebloeide plantenzooi aantreft die je maar het beste kunt platasfalteren. Een dorre massa die recht doet aan het splijtende spleen van een sterveling die ineens blijkt te leven.
Maar nu nog even terug naar die weggezonden hond. Als de schrijver die hond was geweest, zou hij de tuin lijdzaam en stil verlaten hebben. Vervolgens zien we de aan de dood ontsnapte man nu terugkeren in die tuin, na zijn ongeluk. Hij is zoals die hond. Lijdzaam en stil, een beetje voor zich uit starend. Oftewel: of je het leven nu gedag zegt of opnieuw begroet: de tuin bloeit door, de wereld draait door, of je er nu bent of niet. ’Wat er gebeurde is deze tuin.’
Heel verrassend en spitsvondig is het allemaal niet bepaald, maar de omvang van Koplands lezerspubliek laat zien dat het een levenswijsheid die we wat graag nog maar weer eens willen lezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.