*

 

Hannah Belliot: de wind, het Al, is overal

arjan visser − 31/01/09, 00:00

Hannah Belliot (Paramaribo, Boven Suriname, 1947) was van 1998 tot 2006 wethouder van de gemeente Amsterdam. Dit jaar was ze in de race voor het PvdA-lijsttrekkerschap in het Europarlement. De post ging naar Thijs Berman. Belliot werkt momenteel, onder andere, aan ’maatschappijkritisch’ muziektheater.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn vader was een Indiaan, mijn moeder is een mix van alles wat God heeft verzonnen. Daar kom ik uit voort. Wij waren lid van Hernhutters, een van oorsprong Duitse kerk, gesticht door graaf Von Zinzendorf. De Hernhutters waren de eerste evangelisten die naar Suriname kwamen en die na veel inspanning toestemming kregen van de Nederlandse slavenhouders om de slaven te leren rekenen, lezen en schrijven. Een simpele, hiërarchische, sobere vorm van het christendom. Aan de andere kant stond het natuurgeloof van mijn Indiaanse grootmoeder – ik zie weer voor me, hoe ik, als meisje van zes, met haar op het erf zat, alles at wat eetbaar leek, ook de eiwitwormpjes die we samen uit palmtakken peuterden. Daar brak ze de kopjes vanaf en die staken we zo in ons mond. Soms gingen ze nog even op de barbecue – poef! – dan waren ze nog lekkerder* die oma, scherp van tong, de oma op wie ik zo dol was, kwam van een volk dat leefde van de jacht en van de visvangst, een volk dat geloofde in de geest van de machtige Suriname-rivier en niets met het christendom te maken had. Zo rond mijn elfde, toen ik een soort Godsbesef kreeg, begon ik me af te vragen wat er met mijn Indiaanse oma ging gebeuren, de dag waarop Jezus op de wolken terug zou komen. Daar begon het te knagen. Ik bleef in God geloven, zong naar hartenlust gospels in de kerk van de dominee die later mijn schoonvader werd, maar de vraag over het lot van mijn oma liet me niet los en uiteindelijk besloot ik dat de ene godsdienst niet beter kon zijn dan de andere. Ik heb in de loop der jaren de balans gevonden tussen de evangelische kerk en het geloof van mijn Indiaanse oma. Er is meer dan alleen maar Christus aan het kruis. Jezus is voor mij nu niet meer dan een buitengewoon sympathieke profeet. Mohammed verwierp het beeld van de drie-eenheid: waarom zou God, een Almacht, zich opdelen? God, Allah, JAHWEH, noem Hem zoals je wilt, is alles. Ondeelbaar. Voor mij is Hij is de Grote Regisseur.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Alles wat de mens tot stand heeft gebracht komt voort uit verbeelding. Als we geen verbeelding hadden gehad, zouden we elkaar nu nog met knotsen achterna rennen. Verbeelding, nieuwsgierigheid, willen ontdekken: dat is wat ons naast andere zoogdieren plaatst, dat is wat ons als mens verbijzondert.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Je moet, vind ik, de grandeur, de grootsheid hebben om iedereen zijn godbeleving te gunnen. Als je dat politiek vertaalt komen we uit bij de grondwet waarin is afgesproken dat er vrijheid van meningsuiting is, maar daarnaast is er ook het besef, de innerlijke beschaving, dat je de ander daarbij niet beledigt, of vernedert. Als normaal denkend en functionerend mens voel je wanneer je te ver gaat. Er zijn echter mensen, zoals meneer Wilders, die bewust, met voorbedachten rade, om politieke redenen een grens overschrijden en dat vind ik, zeker voor een representant van de overheid, gekozen door zo’n zeshonderdduizend mensen – dus medeverantwoordelijk voor het zo harmonieus mogelijk laten functioneren van de samenleving – zeer bedenkelijk en onbeschaafd. Kennelijk appelleert zijn verhaal aan de angst van mensen om overgenomen te worden, angst dat dit land bepaald gaat worden door iets anders dan wat wij historisch hebben ontwikkeld. Maar daarom ben ik juist zo voor de scheiding van kerk en staat: er is een evolutie geweest, de hiërarchie van de kerk domineert ons, godzijdank, niet langer. We worden niet meer onderdrukt. De paus, een aardige man met zijn habijt en zijn staf, symboliseert voor veel mensen het oergeloof – laat het maar, laat het maar, geef die ruimte, sta het toe. Het geloof, welk geloof dan ook, is echt een privéding voor de mensen geworden.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Nonsens. Ik denk niet dat wij de gedachte van God kunnen vertalen in dagen. Wij hebben de economie en de sociale omgang willen reguleren en bedacht dat we, ter ondersteuning, de mensen een dagje per week laten uitblazen. Dat is alles. Met God heeft dat helemaal niets te maken. Je hoeft voor mij ook niet per se op die dag, ergens in een bepaalde ruimte, bij elkaar te komen om God te eren. Ik heb met God afgesproken dat ik Hem overal tegen zal komen. Niet per se in dat ene hokje, niet per se handen klappend op die ene dag. Ik geniet er soms van hoor, ik kan makkelijk tussen de kerkgangers gaan staan en ook een enorme keel opzetten, maar ik zie God ook in de stilte, in de wind. Dat is wat Winti, de Afrikaans Surinaamse natuurgodsdienst, je vertelt: de wind, het Al, is overal. Je ziet het niet, maar je ervaart het wel.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Het is een genoegen, een voorrecht, om mijn ouders te eren. Mijn vader was wonderbaarlijk knap. Je ogen deden pijn als je naar hem keek, zo knap was mijn vader. Fel begeerd. Rustig, beschouwend, ingetogen, zichzelf totaal beheersend. En slim. Op school – niet meer dan een afdakje – viel hij op omdat hij zo goed kon leren. De jongen van de Suriname-rivier bracht het tot topambtenaar met een eigen chauffeur. Ik was voor hem het mooiste wat er was. Waarschijnlijk omdat ik stoer was; ik ging niets uit de weg. Ik was nergens bang voor, ging op mijn doel af, ik leerde mijn lessen. Eigenlijk hebben ze bijna niets hoeven doen om mij te vormen. Ongevraagd voelde ik wat er van mij werd verlangd. Ik weet niet of ik mijn ouders ooit teleur heb gesteld – ze hebben het me nooit gezegd. Mijn vader is nu tien jaar dood. Hij is bij me, maar niet op zo’n zweverige, metafysische manier; hij is bij me zoals mijn kinderen altijd bij me zijn. Het is een state of mind, begrijp je?”

„Mijn moeder is bijna negentig. Fel, temperamentvol, maar met een klein hartje. Ze is de beste huisvrouw die je je maar kan wensen. Ze is een planner, heel gestructureerd, heel perfectionistisch. Haar pannenkoeken zijn allemaal even rond, de stukjes vlees die ze snijdt zijn allemaal even groot. Ze trok mij de mooiste rokken aan: als een topmeisje liep ik rond op school. Ze bewaarde vroeger een zekere afstand – misschien deed ik haar te veel aan mijn vader denken. Ik nam, toen hij dood ging, ook min of meer zijn rol over. Mijn broers en zusje namen dat als vanzelfsprekend aan. Ik hou van regelen, organiseren. Zo ben ik nu een soort pater familias geworden. Ik bel mijn moeder vaak. Ze beslist niets zonder mij. Als daar, in Suriname, iets moet gebeuren en iemand voorstelt er alvast mee te beginnen, zegt mijn moeder: ’Nee, we wachten op Hannah’.”

„ Ze is aan staar geopereerd, verder is ze redelijk gezond. Nog altijd een prinsesje. Slank, elegant. Voor het zware werk knijpt ze een oogje dicht, maar de rest doet ze zelf.”

„Ik zorg met liefde voor haar. Ik doe wat mijn vader zou hebben gedaan. Op een dag zal ze vertrekken, dat is niet anders. En ik hoor bij de volgende lichting. Ik zit niet te wachten op de dood, maar ik ben er ook niet verdrietig om dat het leven een keer ophoudt. Je komt op, je bloeit en dan, op een dag, neemt de wind je mee. Zo gaat het. Als het klaar is, is het klaar.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Het bepaalt mijn leven niet, maar ik kan nog regelmatig heel verdrietig worden als ik denk aan de Afrikanen die vierhonderd jaar lang als objecten zijn ingezet, als slaven zijn verhandeld. Per schiplading werd ingecalculeerd dat een derde het niet zou halen – lijken werden zomaar overboord gegooid. Ze werden geregistreerd, kregen nummers. Een slaaf ging vijftien jaar mee, daarna werd hij afgeschreven, als een oude computer. Het raakt mij, het raakt mij persoonlijk want – alle goede bedoelingen, alle vooruitgang ten spijt – at the end of the day, I’m a black woman! Tijdens de inauguratie van Barack Obama heb ik, samen met mijn kinderen en een paar vrienden gospels gezongen. Toen ik hem daar zag staan, met vrouw en kinderen, dacht ik: het komt goed! Ooit hingen er zwarte mannen in de bomen, gelyncht – Strange fruit, zoals Billie Holiday dat zong – ooit bestonden zwarten juridisch niet, hadden geen rechten. En nu* goed, we moeten niet doen of Obama Gods jongste zoon is, maar laten we nu nog even van de euforie genieten, dat is ook wel eens prettig. Na de winter van Bush, komt de lente van Obama. Hij heeft die kilheid, die vijandigheid, die jarenlange verdeling ten ruste gebracht. En ik geloof dat deze nieuwe regering meer oog heeft voor de zwakkere. Er zijn in Amerika zo’n 25 miljoen mensen niet verzekerd, waarvan velen niet eens een gebit in hun mond hebben om goed te kunnen kauwen, die zich verwarmen op de roosters boven de riolen van de straat* De enige manier waarop de mens zich kan onderscheiden van beesten is door op te komen voor de zwakkere, voor de ouderen, voor – o, dát heeft me zo gestoken: hoe in Amsterdam buren ageerden tegen het geluid dat peuters maken op het speelveld. Kan een mens nog verder afdwalen? Gelukkig stonden er later ook brieven van mensen in de krant die riepen: zijn jullie nou besodemieterd? Ik denk dat de samenleving, in de eisen die ze stelt, in de aanscherping van de economie – meer vergaren, meer presteren! – de beperkingen van de mens laat zien. Die aanscherping, tot haast buitenmenselijke proporties, kweekt neurotici. Maar goed, terug naar Obama’s lente. Het is, zoals zo mooi in Prediker staat: ’Wat is, was er reeds lang en wat zijn zal, is reeds lang geweest’, er is niets nieuws onder de zon, en toch maakt die aanblik me blij en hoopvol. Het is prachtig om te zien hoe Amerika er iedere keer weer in slaagt om die togetherness te benadrukken. Afro-Amerikanen, Mexicanen, Latino’s, blanken: wij zijn Amerikanen! Wij schamen ons er voor om in de openbaarheid te zeggen dat we van dit land houden. Zie je het al voor je? Honderdduizenden mensen bijeen, uren de kou trotserend om een glimp op te kunnen vangen van Jan Peter Balkenende? Zie je de vlag al wapperen? Zie je de mensen losbarsten in patriottistisch gezang? Nee toch? Hollanders generen zich.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Uit een onderzoek is ooit gebleken dat alleen domme mensen scheiden. Ik verklaar mezelf, bij deze, voor dom. Tegelijkertijd is het soms onontkoombaar: je probeert het dan zo lang mogelijk met elkaar volhouden maar er komt een moment waarop het concept niet meer werkt.

Het is schitterend begonnen. Clarence was de zoon van de dominee. We zongen gospels in de kerk. Alles was mooi, alle clichés waren op ons van toepassing. We waren twintig en eenentwintig en we beloofden elkaar eeuwige trouw, in ziekte en gezondheid, in voor en tegenspoed. Doen we wel even, dachten we. Tot de werkelijkheid van zes uur ’s ochtends, kinderen uit bed, boterhammen smeren, zich opdringt*”

„De eerste modderpoelen doorkruis je, daarna spring je over een paar sloten. Dan kom je bij de rivier: die weet je ook nog over te steken. Maar op een dag is daar de grote zee en dan is het klaar. Het begint met een wond: je weet dat-ie er is, maar je smoort het gevoel. Zo lang het niet gaat etteren, denk je. Volgend jaar wordt het beter, denk je. Als de kinderen eenmaal groter zijn, denk je. Je loopt een keer weg. Je loopt nog een keer weg – niet de hoek om, hoor! Ik nam de kinderen onder de oksel en boem, ik nam het vliegtuig naar Suriname. En weer terug* Incasseren, incasseren. Tot het echt niet meer ging. Het offer werd te groot; ik was vooral bang dat de toekomst van de kinderen eronder zou lijden. Ik wilde voorkomen dat ze beschadigd uit hun jeugd tevoorschijn zouden komen.”

„Uiteindelijk is de scheiding een bevrijding geweest, voor iedereen. Ik kom thuis, trap mijn schoenen uit en prijs of vervloek de dag: niemand die er chagrijnig van wordt of zegt dat ik asociaal ben. Ik heb een lits-jumeaux waar ik, in mijn eentje, op allerlei manier op kan gaan liggen – heerlijk! Een nieuwe partner? Als die zich aandient en aan de criteria voldoet*”

„Ik weet het niet, hoor. Ik heb het altijd druk. En ik hou niet van small talk; het moet ergens over gaan. Ik herinner me dat ik in mijn studententijd de jongens wel eens wegjoeg doordat ik het altijd maar over Mandela en Che Guevara wilde hebben. Zij wilden zoenen, of dansen – ik had het liever over de toestand van de wereld. En nu? Moet ik dan via internet iemand op gaan zoeken? Da’s zo’n gedoe. Het moet makkelijk gaan. Het leven is al ingewikkeld genoeg. Bovendien kan ik heel goed met mezelf omgaan. Ik ben graag in de menigte, maar ik kwijn niet weg alleen.”

VIII Gij zult niet stelen

„Ik ben one of the chosen few: ik heb altijd, mijn leven lang al, alles gehad en meer. Overvloed. Ik heb het al zo lang zo goed dat niets mij prikkelt om jaloers te zijn en zeker niet om iets van een ander te willen jatten.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ja, ik heb als wethouder van Amsterdam nogal wat verwijten naar mijn hoofd geslingerd gekregen. Het heeft niet zo’n zin om op allerlei voorbeelden in te gaan, uiteindelijk komt het hier op neer: ik zou vaak te rechtlijnig zijn, te eigengereid. Misschien had ik soms iets liever kunnen zijn, niet honey-sweet, maar toch* aan de andere kant: ik ga toch niet naar mijn werk om daar empathisch te zitten wezen? Willen we naar de overkant? Oké, dan kijken we naar links, naar rechts en weer een keer naar links, maar als je dan nóg staat te treuzelen, dan begrijp je het volgens mij niet goed. Dan moet er actie komen en als er geen actie komt, dan ga ik duwen.”

„Ik denk dat het beter is om niet omfloerst te doen. Er zit ook iets van dedain in om zaken te ingewikkeld aan te kleden: blijkbaar acht je de ander niet in staat om de werkelijkheid aan te kunnen. Mensen zien echt wel wat er aan de hand is. Het is vaak zoals het is. Iemand moet het uitspreken en ik was er nu eenmaal voor ingehuurd om dat te doen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Jongen, ik heb zóveel talenten, ik kan ze amper dragen, ik ben De Regisseur daar erg dankbaar voor. Een enorme mazzelaar. Natuurlijk heb ik van tijd tot tijd een tegenslag gehad en het is ook goed om je daarover uit te laten, maar je moet niet gaan zeuren. Nooit zeuren. Nee, dat ik niet gekozen werd tot lijsttrekker voor de PvdA in het Europees Parlement is geen tegenslag. Ik was ervoor gevraagd – zoals ik voor iedere functie ben gevraagd – en dit was de eerste keer dat iets niet doorging. Helemaal niet erg. Over tot de orde van de dag. Blijkbaar was het niet voor mij, maar voor een ander bedoeld.”

„Voorbestemming? Weet ik niet. Ik ben in ieder geval niet helemaal ongevoelig voor zoiets als reïncarnatie. Ik geloof dat je bij je geboorte een boodschappenlijstje meekrijgt. Je gaat de supermarkt in en je begint te winkelen. Er staat honing op je lijstje. En ook azijn, citroenen, ananas of een paar lekkere mango’s. Op een gegeven moment kom je bij de kassa. Je zet de boodschappen op de band en je ziet dat je geen azijn hebt gekocht, of misschien juist te veel honing hebt ingeladen. Dan moet je terug. En misschien daarna nóg eens, net zo lang tot je kunt laten zien dat je voor- en tegenspoed, zonder wrok en haat, hebt opgehaald.”

„Hoe ver ik ben? Een stuk, ik ben een heel stuk gevorderd. Ik kan de kassa al horen rinkelen.”

mailIcon print |