Na vader Jeroen toont Museum de Fundatie in Zwolle nu het werk van zoon Jasper Krabbé. Het totale verschil tussen beiden is boeiend.
Dat hij eerst doorgebroken is in het buitenland, en nu pas zijn eerste solo-expositie heeft in een Nederlands museum, bevalt Jasper Krabbé wel. Dan kunnen ze hem in ieder geval niet verwijten dat hij heeft meegelift op het succes van zijn vader, de schilder en acteur Jeroen Krabbé. Maar het valt natuurlijk wel op als hetzelfde museum dat vorig jaar een grote overzichtstentoonstelling wijdde aan het werk van vader Krabbé, nu de zalen vrijmaakt voor de tekeningen en schilderijen van zoon Jasper. Directeur Ralph Keuning van het Zwolse museum de Fundatie in Zwolle kan zich voorstellen dat dit vragen oproept. Maar het was een bewuste keuze. „Ik wilde ze alle twee graag in mijn museum, omdat ik het fantastische kunstenaars vind. Hun werk is ook nog eens totaal verschillend en dat maakt het extra boeiend.”
Wat het voor Museum de Fundatie ook aantrekkelijk maakt om vader en zoon Krabbé een expositie aan te bieden, is dat voor beiden gold dat nog nooit een groot overzicht van hun werk was te zien in een Nederlands museum. „Vorig jaar heeft dat echt de tongen losgemaakt, dat ik Jeroen Krabbé een solo-expositie gaf”, zegt Keuning. „Veel mensen hadden, ten onrechte naar mijn idee, het idee dat die bekende acteur ook zo nodig moet schilderen. Ook nu wordt gepraat over mijn keuze, maar ik heb hier en daar al applaus gehoord.”
Voor Jasper Krabbé (1970) zelf is de expositie ook een weerzien met tientallen schilderijen die over de hele wereld zijn verspreid en die hij soms jaren niet meer heeft gezien. Het is hard gegaan met zijn internationale carrière en dat komt ook doordat hij na zijn opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam naar New York vertrok. Daar volgde hij schilderlessen aan The Cooper Union. „Ik deed dat niet alleen omdat dat een heel goede opleiding is, maar ik wilde ook weg uit Nederland om me op eigen kracht te ontwikkelen.” In New York werd zijn werk al snel opgemerkt door een galerie. Inmiddels heeft hij vaste galeries in Rome, Auckland en Antwerpen en was zijn werk te zien op exposities in onder meer New York en São Paulo. Maar wonen en werken doet Krabbé al weer jaren in Amsterdam, al vliegt hij nog steeds twee keer per jaar naar New York. „Een fantastische stad, maar het is lastig om daar een standaard gezinsleven te leiden. Mijn vrouw is arts en dat betekent dat ik mijn dochters van 7 en 5 vaak naar school breng en weer haal. Dat kan doordat mijn atelier dichtbij huis is. En dan hebben we ook nog een buitenhuisje in Dalfsen, wat in Amerika onbetaalbaar zou zijn, net als de gigantische loods waarin ik mijn atelier heb.”
Buiten de blik van Nederland heeft hij tot nu toe kunnen opereren. Dat neemt niet weg, benadrukt hij, dat hij wel blij is met de geschiedenis van zijn familie. „Ik ben al de vierde generatie die schildert. Het schilderen zit ons in het bloed. Ook mijn oudste dochter is altijd aan het tekenen.” Lachend: „Ik heb voorgesteld om museum De Fundatie al vast te reserveren voor haar over pakweg twintig jaar.” Vooral met zijn overgrootvader Hendrik Maarten voelt hij zich verwant, die een goede portrettist was. „Laatst ontdekte ik dat hij rond 1900 dezelfde plek in het Vondelpark heeft geschetst, waarvan ik een schilderij heb gemaakt. Dan ga je haast denken dat je in contact staat met je voorouders. Maar waarschijnlijk heeft het ook te maken met een bepaalde manier van kijken. Als ik naar die schets kijk, lees ik daaruit af dat mijn overgrootvader net zo geraakt is door die plek als ik.”
Jasper Krabbé begint nooit met een maagdelijk vel papier of wit schildersdoek als basis voor zijn tekeningen en schilderijen. Oude enveloppen, verpakkingsmateriaal, stukken karton, pagina’s uit boeken of atlassen, zelfs verhuisdekens gebruikt hij als ondergrond. Werken op gebruikt materiaal dat al een leven achter zich heeft, past beter bij het thema van de vergankelijkheid en vluchtigheid van het leven dat de rode draad vormt in zijn werk. De dunne, ijle lagen aquarelverf die hij aanbrengt op de stukken papier en karton vol oneffenheden, moeten dat idee van kwetsbaarheid nog versterken. „Vaak krijg je ook heel mooie dingen cadeau als je werkt op een ondergrond die eerder gebruikt is. Dan komt er door bijvoorbeeld een restje achtergebleven lijm ineens een soort flard door het beeld heen, een flard van een vervaagde herinnering. Dat past heel goed bij mijn werk, waarin ik de dingen die je niet kunt vasthouden, zoals herinneringen en dromen, probeer vast te leggen. Maar als je iets van het vluchtige schildert, schilder je ook iets van het eeuwige. Die twee polen zitten in ieder mens.”
Hij kan uren praten en filosoferen over hoe hij die universele strijd tussen eeuwigheid en vergankelijkheid probeert te vangen in verstilde beelden. In Museum de Fundatie hangt een schilderij dat exact weergeeft wat hij bedoelt. Het wijst naar een grote houtskooltekening – ’The most ephemeral – the most eternal (hands)’ – waarop een man is afgebeeld, die met zijn ene hand met een naald in een steen prikt en met zijn andere hand een ballon probeert lek te prikken. „De steen staat voor wat altijd blijft en de ballon symboliseert het vluchtige, dat wat we niet kunnen vasthouden.”
In de drang om dingen vast te leggen die anders verloren gaan, maakt Krabbé vrijwel elke dag kleine schetsjes: zelfportretten, portretten van zijn vrouw en kinderen, figuurstudies, flarden van dromen, fantasiebeelden, straattaferelen. Die wirwar van beelden van herinneringen die over elkaar heen dwarrelen, vormt zijn ’memory archive’, waaruit hij inspiratie put. Van de honderd zelfportretjes die hij maakte, elke dag één, heeft hij een collage gemaakt, een van de blikvangers op de expositie. Het is niet alleen een onderzoek naar zijn identiteit, maar ook naar de schilderkunst. Hoeveel manieren zijn er om een zelfportret te maken?
De veelal in zachte en ijle tinten geschilderde beelden en fantasieën van Jasper Krabbé dwingen tot aandachtig kijken. Ze hangen er mooi bij, in Museum de Fundatie. Maar het liefst zou Krabbé, schrijft hij in het door uitgeverij d’jonge Hond fraai vormgegeven boek Memory Archive, ze net als in de zeventiende eeuw presenteren: in met gordijnen afgeschermde privékabinetten. „Om ze alleen te kunnen tonen aan hen die ze echt willen zien. Het blauwpaarse schijnsel op een spinnenweb in het vroege ochtendlicht of het nerveuze gezoem van een zwerm insecten boven een stoffig pleintje (...). De zoetige geur van geroosterde kastanjes die zich vermengt met de geur van de New Yorkse subway op een koude novemberdag. Al deze dingen verdwijnen als zand tussen je vingers als in een omgedraaid uurglas. Schilderen is voor mij een manier om de dingen te begrijpen, te herleven en vast te houden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.