Nelson Freire is pianist van wereldklasse én Braziliaan. Dat is de perfecte combinatie voor het vertolken van de muziek van de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos, waarvan Freire een van de meest bezielde vertolkers is. Zondag moest het publiek in het Concertgebouw er tot aan het slot van het recital op wachten.
Onnavolgbaar legde Freire in ’Chôros nr. 5’, ’Dança do Indio Branco’ en drie toegiften de ziel van de Braziliaan bloot in zinderende vertolkingen. Niettegenstaande de vaak swingende ritmes, domineerden weemoed en passie. Hoe anders was zijn benadering dan die van zijn collega Jorge Luis Prats, de Cubaan die eerder dit seizoen met een veel exuberantere speelwijze veel succes had. Dit verschil was vooral te horen in de eerste toegift uit ’Bachianas Brasileiras’, waarin Freire zeer helder, met een gecultiveerde toon speelde. Hoe uitbundig Villa-Lobos’ muziek ook is, Freire blijft altijd een gentlemen, met een aangeboren gevoel voor proportie en klankschoonheid.
Die kwaliteiten kwamen evenzeer van pas in de elegant en geraffineerd gespeelde ’Papillons’ van Robert Schumann. Hierna kwam de Tweede sonate van Johannes Brahms, waaraan een pianist zich zelden waagt. Voorstelbaar, want deze sonate is onherbergzaam met niet al te zeer aansprekende melodieën, een zware bezetting van grote akkoorden en een onbevredigend slot. Een vertolker moet klasse en lef hebben om met dit jeugdwerk van Brahms het podium op te gaan. Freire wist de compositie als een ware symfonie te laten klinken, waarin fluiten, hoorns, pauken en celli soms bijna letterlijk hoorbaar waren.
Distinctie bezit Freire als geen ander. Daardoor klonk Chopins Scherzo nr. 4 prachtig gedetailleerd en evenwichtig. Chopins Fantasie in f daarentegen klonk wat onrustig. Vooral het ’loopthema’, waarmee dit stuk begint, had, indien strakker gespeeld, de grote vorm van het stuk meer recht gedaan.
Hoewel een mazurka net als een wals in driekwartsmaat staat, zijn beide dansvormen onderling zeer verschillend van karakter. Door weinig aandacht te geven aan de tegendraadse mazurka-accenten op de tweede en derde tel en tegelijk een relatief groot rubato te gebruiken klonken Chopins mazurka’s bij Freire teleurstellend.
Voor de klankwereld van Debussy bleek Freire een perfect toucher te hebben, zij het dat in de drie Préludes van deze componist zijn klank minder variatie in kleur had dan andere, veelal Franse Debussy-spelers soms hebben. Niettemin droeg ook dit verzorgde Debussy-spel bij tot het slagen van dit overwegend indrukwekkende recital.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.