Gerard Mortier verlaat de Opéra Bastille. Op de valreep presenteert hij een nieuwe opera van een landgenoot, en laat hij Eva-Maria Westbroek en Hartmut Haenchen vlammen.
Het blijft een markant gebouw, de Opéra Bastille op het gelijknamige plein in Parijs. Het oogt inmiddels, twintig jaar na de opening, wat smoezelig aan de buitenkant, maar alleen de afmetingen al van dit enorme gevaarte dat midden in de stad geland lijkt te zijn, boezemt ontzag in.
Deze dagen hangt er aan de imposante voorgevel, boven aan de grote galatrap, een affiche met daarop een prachtige foto van Eva-Maria Westbroek. Het is een teken, mocht dat nog nodig zijn, dat de Nederlandse sopraan een wereldster is van formaat. Met schijnbaar hautaine allure kijkt ze neer op de drukte rondom het fameuze operahuis. Als ze er ’s avonds laat – moe en lamgeslagen – onderdoor loopt, moet ze even grinniken en mompelt iets van: ’Ja, gek hè!’ Aan de Bastille zingt Westbroek de rol waarmee ze internationaal doorbrak, de titelrol in Sjostakovitsj’ ’Lady Macbeth van Mtsensk’.
Het is de productie van De Nederlandse Opera van 2006. Een eclatant succes vanwege de regie van Martin Kusej, vanwege de aanwezigheid in de bak van het Koninklijk Concertgebouworkest en zijn chef-dirigent Mariss Jansons, en vanwege de fysieke en vocale overmacht van Westbroek. De Belg Gerard Mortier (65), intendant van de Parijse opera, vond de voorstelling zó goed dat hij haar nu in de Bastille presenteert. En Westbroek vertelt donderdag na afloop van de derde voorstelling in een reeks van zes, dat Mortier de productie én haar ook zal meenemen naar zijn nieuwe baan in Spanje, als hij intendant wordt van de Teatro Real in Madrid.
De Parijzenaars zijn dol op Westbroek. Aan de Bastille zong ze onlangs met veel succes Elisabeth in Wagners ’Tannhüuser’ en de keizerin in Strauss’ ’Die Frau ohne Schatten’. Net als in Amsterdam ging na het indringende slot van ’Lady Macbeth’ het doek in eerste instantie alleen voor Westbroek op en ook in Parijs incasseerde la soprano hollandaise een ongelofelijke ovatie van het als zeer lastig bekendstaande publiek. Haar rol van de, haast tegen wil en dank moordende, koopmansvrouw Katerina heeft zich zo mogelijk nog verdiept. In die prachtige entourage van een glazen huis vol schitterende schoenen, omringd door morsige blubber en stil-dreigende herdershonden, speelde en zong Westbroek zich met onvoorstelbare kracht en souplesse de hoofden van de toeschouwers in. Regisseur Kusej heeft de voorstelling zelf opnieuw ingestudeerd, en van de uiterst rauwe en sinistere sfeer is niets verloren gegaan. Nieuw is Michael König als Sergei, een ruige bullebak met een stem als een klok, die in postuur en stem meer dan gewaagd is aan Westbroek.
Wat deze productie echt anders maakt dan in Amsterdam is de muzikale leiding van Hartmut Haenchen. Net als Westbroek is de voormalig muzikaal leider van De Nederlandse Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest in Parijs een grootheid geworden. Met Wagners ’Parsifal’ en Strauss’ ’Capriccio’ maakte hij in de Bastille grote indruk. Ook hij wordt aan het slot met gejuich op het toneel ontvangen. De Franse pers heeft het over une grande soirée, waarin de twee Hollanders gloriëren.
Wel aardig dat sommigen Haenchen als Nederlander zien; niet helemaal ten onrechte overigens, want hij heeft per slot het Nederlands staatsburgerschap gekregen. Zijn interpretatie van Sjostakovitsj’ partituur kenmerkt zich door een uitgekiende opbouw. Hij stapt niet in de val van té veel, té vroeg en vijlt en schaaft aan al te scherpe randjes. Daar waar het echt moet vlammen, zet Haenchen met het orkest van de Opéra de sluizen volledig open. Al met al is zijn visie misschien iets minder scherp en spectaculair dan die van Jansons, maar Haenchen spreekt met overtuiging zijn eigen waarheid. Mooi dat hij in Parijs zijn oude kompaan bij De Nederlandse Opera Winfried Maczewski weer tegenkwam; die studeerde het koor als vanouds met meesterhand in.
Het nieuwe management van de Parijse Opéra heeft overigens geen nieuwe rollen en/of data met de gevierde en volgeboekte Westbroek kunnen vinden. Wél met Haenchen, die het nieuwe seizoen in Parijs zal openen met Bergs ’Wozzeck’.
Mortiers uitdagingen in Parijs waren naar eigen zeggen om ander, jonger publiek te lokken en om meer werk van 20ste-eeuwse componisten te brengen. Hij verlaagde de gemiddelde leeftijd van de abonnees van 56 naar 48 en dat van de losse bezoeker naar 42. In de foyer van de Bastille hangt een enorm plakkaat waarop maar liefst twintig componisten uit de 20ste eeuw zijn afgebeeld. Tussen 2004 en 2009 bracht Mortier 26 van hun werken. Ondanks die successen liet Mortier, niet wars van polemiek, aan Le Monde weten dat de Parijse Opéra niet het publiek heeft dat het verdient; te weinig verstand van zaken en tóch een grote mond. In de zaal klonk ooit: ’Mortier op de brandstapel!’ Hij was beoogd intendant van de New York City Opera en plande het eerste seizoen in die conservatieve omgeving met louter 20ste-eeuwse opera’s. Hij trok zich terug omdat het voorgestelde budget werd gehalveerd. Hij solliciteerde tevens naar een baan in Bayreuth, naar eigen zeggen louter om aan te kaarten dat de familie Wagner geen enkel recht heeft om zich die plaats bij erfrecht toe te eigenen.
Ondanks Mortiers klachten over het Parijse publiek, reageerde dat niet alleen zeer enthousiast op de opera van Sjostakovitsj (1934), maar twee dagen later ook op de wereldpremière van Philippe Boesmans’ ’Yvonne, princesse de Bourgogne’, een co-productie met De Munt in Brussel en de Wiener Festwochen. Boesmans’ portret hangt fier tussen de twintig op het hiervoor genoemde plakkaat. De nieuwe opera is de eerste creatie van een Belg in de Parijse Opéra sinds de werken van André Ernest Grétry aan het eind van de 18de eeuw.
Mortier kent Boesmans uit de tijd dat hij intendant in Brussel was en hem daar onder andere de opdracht tot het schrijven van ’Reigen’ (1993) gaf. Die opera werd een groot succes, evenals ’Wintermürchen’ (1999) en ’Julie’ (2005). Ook ’Yvonne, princesse de Bourgogne’, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van de Pool Witold Gombrowicz is een geweldig werk, waarin de meesterlijke Boesmans opnieuw laat horen hoe aansprekend en levend de kunstvorm opera nog steeds kan zijn.
Wederom werkte Boesmans samen met Luc Bondy, die het libretto schreef en de opera regisseerde. Het wrange stuk over een prins die uit opstandigheid met een lelijk en stom meisje wil trouwen wordt door Boesmans omgevormd tot ’tragische komedie’. Dat werkte in het aloude Palais Garnier uitstekend. De opera is meesterlijk georkestreerd en de enige ’aria’ erin is meteen een tophit (schitterend gezongen door Mireille Delunsch). Sylvain Cambreling dirigeerde Klangforum Wien met totale overgave. Een laatste meesterzet van Mortier. Vives les Belges!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.