opinie Zoals die moeder naast me op het hockeyveld schreeuwen kan, zo kan ik het niet. Zonder ophouden moedigt ze onze jongens aan.
Tussendoor is ze ook nog in druk debat met haar zoon, die in de dug-out wacht tot hij na een wissel het veld in mag. Ach, als onze jongens maar eens hockeyden zoals deze moeder en haar zoon met elkaar in gesprek zijn. Non-stop spelen ze elkaar de bal toe, met een stroom prikken en steken en grapjes en opmerkingen die dan weer gepareerd worden. Ben ik jaloers? Wil ik ook zo vrij zijn, zo zonder nadenken pats-paf op alles reageren dat in mijn buurt komt, of dat nu een hockeybal is of mijn bloedeigen kind? Wat let me om vanaf de zijlijn op deze gure zaterdagmorgen bij een van de velden van de Almeerse hockeyvereniging nu ook te gaan roepen: ,,Kom op Kampong, overspelen, Ruben, ga naar paal twee, naar paal twee jongens. Dek je man, dek je man. Naar rechts, gebruik het rechterveld, jongens hij gaat erin, het volgende punt is voor jullie, naar voren, naar voren. Ahhh, jammer, wat een knullige bal. Kom op Kampong, naar voren, naar dat doel.” Tekst heb ik wel. Maar om dat nou te roepen, nee. Ik ben toch eerder een hockeymoeder die zwijgend aan de kant staat, kijkt wat iedereen doet en dat later opschrijft. Ik zou mezelf niet herkennen bij dat geschreeuw. Ik zou me afsplitsen en een endje verderop gaan staan. Het is geen kwestie van niet kunnen, maar van identiteit. Het past niet bij me. Of ik nu een spontane, extraverte moeder wil zijn of niet, zo ben ik nu eenmaal niet. Ik rijd wel met vier te grote jongens in mijn te krappe auto naar Almere voor een uitwedstrijd, waarbij we volgens verwachting met 4-1 verliezen, maar dat is het dan. Op de terugweg is de stemming gelukkig opperbest. Het gemopper op de achterbank, waar al die jongensbenen maar net tussen de banken en de deuren passen, heeft een opgewekte toon.
Laten we zeggen dat het een vorm is van ritueel foeteren, zoals pubers horen te doen. Met een half oor luister ik ernaar en mijmer ondertussen over de vraag wat voor soort moeder ik tegenwoordig eigenlijk ben. Ik doe zelden de was voor ze, ik hoef nauwelijks rekening met hun bezigheden te houden. Ze wonen vooral bij hun vader en komen bij mij wekelijks op bezoek. Dat is heel wat anders dan die zestien jaar dat ik ze dagelijks om me heen had en alle luimen, humeuren, rotzooi, bijna-rampen en levendigheid meemaakte. Nou en of ik dat mis. Nou en of ik nu veel meer tijd heb om te werken, en allerlei andere dingen te doen. Maar dat is een argument dat afketst tegen het gevoel. Altijd weer is het zoeken naar de soort moeder die ik geworden ben. Een moeder-op-afstand. Zoals er moeders zijn die voor hun werk veel van huis zijn, of moeders die hun kinderen naar kostschool hebben gestuurd. En moeders van wie de kinderen volwassen zijn en uitgevlogen. Maar ik ben een moeder-op-afstand van kinderen die nog niet allemaal zijn uitgevlogen. Dat vraagt een andere vorm van bij elkaar zijn. Het weten dat je bij elkaar hoort, het onvoorwaardelijk weten dat die band er is, dat wordt op een andere manier gevoed dan wanneer je dagelijks in elkaars gezelschap bent, onder een dak slaapt, aan tafel zit en ruziet over volle wasmanden en leeggegeten koelkasten. Ik vind het een hele uitdaging, wat een andere formulering is om te zeggen dat het niet makkelijk is. Maar zo’n kleine auto vol hockeyers, dat helpt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.