*

 

’Als ík al niet optimistisch ben?’

Seije Slager − 27/01/09, 00:00

Thomas Buergenthal overleefde als kind op miraculeuze wijze het concentratiekamp. Na de oorlog klom hij op tot rechter bij het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties.

’Zwartboek’ kon hij nog wel aan: dat speelt weliswaar in de Tweede Wereldoorlog, er komen geen concentratiekampen in voor. Maar Thomas Buergenthal zat ook nietsvermoedend in de bioscoop bij ’La Vita è Bella’. „In het begin is dat een vrolijke film. Maar zodra de eerste trein het beeld in kwam rijden, kreeg ik het benauwd en ben ik met mijn vrouw de zaal uit gerend.”

Thomas Buergenthal werd in 1934 in Tsjechoslowakije geboren als kind van gevluchte Duitse joden. Hij overleefde het getto van Kielce, en ook Auschwitz en Sachsenhausen.

Hij is op het eerste gezicht een opgeruimde man. Een rasoptimist, die bevlogen kan vertellen over het internationale recht. Toen hij in 1946 na vele omzwervingen eindelijk met zijn moeder werd herenigd – zijn vader had de kampen niet overleefd – zag hij eens een machinegeweer opgesteld staan. En zijn handen gingen jeuken. Maar al voor hij volwassen was, besefte hij dat ’de cirkel van haat alleen kan worden doorbroken door te stoppen met haten’.

Daarom specialiseerde hij zich in de mensenrechten, werd hoogleraar, en vanaf 2000 zelfs de Amerikaanse rechter bij het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties, het orgaan dat geschillen tussen staten beslecht.

Maar ergens zit er dus nog iets niet goed. Buergenthal: „Ik vind het lastig om dat precies te duiden. Maar ik kan geen boeken lezen of films kijken waar een kamp in voorkomt. Ik stuur mijn vrouw meestal vooruit.”

Het op schrift stellen van zijn eigen kampervaringen kostte hem dan weer relatief weinig moeite. „Ik heb veel academische boeken over mensenrechten geschreven, dat is lastig, daar moet je veel research voor doen. Dit zat allemaal in mijn geheugen.”

En zo verscheen anderhalf jaar geleden het boek Een Gelukskind. „Dat boek zat al vijftig jaar als een aapje op mijn schouders te wachten om te worden geschreven. Mensen praten altijd over de Holocaust in termen van ’zoveel miljoen doden’, maar ik vind dat een onterende manier om over de gebeurtenissen te praten. Je ontmenselijkt het daardoor. Het gaat juist om de individuele mensenlevens die werden verwoest. Daarom wilde ik mijn verhaal opschrijven.”

Dat Buergenthal, voor het zo ver kwam, een kleine juridische bibliotheek bijeenschreef, merkt de lezer meteen. Nergens wordt de taal larmoyant, en nooit zal je hem betrappen op een overdrijving of een poging tot mooischrijverij. En dat zorgt ervoor dat het boek des te meer indruk maakt, want Buergenthals levensgeschiedenis heeft weinig dramatische opsmuk nodig.

In 1939 misten hij en zijn ouders de boot naar Amerika; de Duitsers waren Polen net binnengevallen op de dag dat de familie Buergenthal het oude continent zou ontvluchten. Vervolgens ontsnapte hij verschillende keren op miraculeuze wijze aan de dood. Zoals in het kamp toen hij als tienjarig jongetje, inmiddels een doorgewinterd overlever, met andere kinderen uit de rij werd geplukt. Zijn kameraadjes werden met een handgranaat vermoord, maar de kleine Thomas had de bewaker met een klemmend ’Ich kann arbeiten’ op het laatste moment vermurwd hem te laten terugkeren in de rij.

In 1945, na de bevrijding, wordt het verhaal zelfs surrealistisch. Half Europa was in die dagen ontheemd en op drift, en probeerde verloren familieleden terug te vinden. De elfjarige Thomas werd in die chaos geadopteerd door een Poolse legereenheid, die hem als een schattige mascotte beschouwde. Ze naaiden een legeruniform voor hem, gaven hem een pistool, en zetten hem op een pony die ze ergens bij een verlaten circus hadden opgedoken. Zo trok Thomas door Europa. „Een fantastische tijd. Alsof ik van de hel in de hemel belandde. Ik wist zeker dat mijn ouders me zouden terugvinden.”

Uiteindelijk zat hij nog anderhalf jaar in een Pools weeshuis, voor zijn moeder hem had opgespoord. Op zijn zeventiende, in 1951, trok hij alweer in zijn eentje naar Amerika. Had hij niet juist erg de behoefte om bij zijn moeder te blijven? „Ik zou eigenlijk maar voor een jaartje gaan.”

Maar een jaartje werd een heel leven. In 1957 werd Buergenthal Amerikaans staatsburger. „Toen ik na de oorlog met mijn moeder in Duitsland woonde, merkte ik niet veel van antisemitisme, maar alles om me heen herinnerde me aan de oorlog: iemand hoefde maar een woord als ’Heimat’ uit te spreken. In Amerika kreeg ik de kans om opnieuw te beginnen, zonder de bagage van het verleden. Het land is altijd heel goed voor me geweest. Ik heb voor al mijn studies beurzen gekregen. En er zijn niet veel landen die een immigrant zouden voordragen als lid van het Internationaal Gerechtshof.”

Ergens bevreemdt de keuze voor een carrière als mensenrechtenjurist. Was Buergenthal niet opgegroeid onder een cynisch systeem dat bewees dat de wet opzij kan worden geschoven door een kwaadwillende dictator? „Mijn ervaringen dwingen mij om te geloven dat wetten en rechten een verschil kunnen maken. Natuurlijk, om genociden te voorkomen is het vooral heel erg belangrijk om mensen op te voeden. Maar ik denk dat als we in de jaren dertig sommige van de wettelijke instrumenten hadden gehad die we nu hebben, er misschien iets had kunnen worden voorkomen. Het is de taak van mensen zoals ik om die instrumenten te versterken. Als ik al niet optimistisch ben, wie dan wel?”

Bovendien, voegt Buergenthal daar aan toe: „Je hoort alleen maar over de genociden die wel worden gepleegd, je weet nooit hoeveel er zijn voorkomen.” Desgevraagd wil hij daar wel een voorbeeld bij bedenken. „Kameroen legde een zaak voor aan het Internationaal Gerechtshof: Nigeria had bezit genomen van een deel van haar grondgebied, en daar woonden nu 150.000 Nigerianen. Wij oordeelden dat die mensen daar weg moesten. Nigeria was niet blij met de uitspraak, maar heeft er wel gevolg aan gegeven. Dat was een potentieel heel explosieve situatie, in een deel van de wereld waar zoiets niet altijd vreedzaam wordt opgelost. Beide landen zagen die explosiviteit in, en kwamen naar ons toe.”

Mensenrechten zijn geen dode letter, vindt Buergenthal, of westerse uitvinding. „Het mooie is dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens meer invloed heeft dan veel regels die wel direct wettelijk bindend zijn. Hij verwoordt de aspiraties en de hoop van mensen overal ter wereld, in ieder geval van wat iedereen voor zichzelf wil: het recht op leven, het recht om niet te worden gemarteld. Dan is het een kwestie van opvoeding om mensen te laten inzien dat je dat dus ook niet voor anderen moet willen.”

En Buergenthal is behalve jurist ook een beetje een opvoeder. Als lid van het Committee on Conscience van het Holocaust Memorial Museum in Washington vroeg hij aandacht voor genociden overal ter wereld. Eigenlijk had hij president Carter geadviseerd tegen de oprichting van dat museum. „Ik vond dat het in Duitsland moest komen. Gelukkig is er niet naar mij geluisterd. Ik heb gezien wat dat museum met kinderen doet, die er komen.”

Het is een activistisch museum, dat kinderen laat nadenken over hedendaagse genociden. Kun je die vergelijken met de Holocaust? „Mensen gebruiken termen als Holocaust en genocide te snel. Maar je kunt altijd vergelijkingen trekken. Genociden vinden plaats, meestal minder goed gepland dan de Holocaust. In Rwanda werden in korte tijd 700.000 mensen vermoord. Dat kun je als een soort grote pogrom beschouwen.”

Als internationaal rechter onthield hij zich in het geval van genocide wel eens van stemming. „Ik had het idee dat mijn onpartijdigheid dan in het geding was.” Buergenthals termijn loopt nog tot 2015, maar hij zal die waarschijnlijk niet volmaken.

„Dan ben ik in de tachtig. Je moet weten wanneer je moet stoppen. Ik woon al negen jaar in Den Haag. Ik wil dat mijn kleinkinderen in de Verenigde Staten nog herinneringen aan mij hebben.” En ja, geeft hij na enig aandringen toe, hij voelt zich ook wel eens ’beperkt’ door zijn huidige functie. „Ik zou best wat over Gaza willen zeggen, maar dat kan ik beter niet doen.”

In ieder geval is hij blij dat zijn opvolger zal worden genomineerd door de regering-Obama. „Ik had ook per post kunnen stemmen, maar ik ben teruggegaan om bij die verkiezing te kunnen zijn. De laatste acht jaar onder Bush zijn heel pijnlijk geweest, zeker voor ons immigranten. Wij herkenden de democratie waar wij ons ooit vestigden niet meer. Niet alleen vanwege Guantánamo Bay, ook omdat hij op allerlei manieren juridische procedures misbruikte. Het is geweldig weer een leider te hebben die het recht respecteert.”

Op wat voor opvolger hoopt hij? „Het zal in ieder geval niet het soort politieke figuur zijn dat onder Bush misschien zou zijn genomineerd. Het maakt uit wie er zit, ja. Net als met ons Hooggerechtshof. Daar hebben we nu ook een stokoude rechter zitten, die volgens mij wachtte tot Bush weg zou zijn, omdat hij weinig fiducie had in zijn opvolger.”

Was dat dan ook voor Buergenthal een reden om zich in 2006 herkiesbaar te stellen? „Nee, nee, toen zat ik er pas zes jaar, dat was sowieso te vroeg geweest om te stoppen.”

En als hij straks wel stopt, waaraan denkt hij dan met de meeste trots terug? „Niet één zaak in het bijzonder. Maar in alles wat ik heb gedaan, heb ik schone handen gehouden, dat vind ik het belangrijkste.”

Thomas Buergenthal verzorgt vanavond de zesde ’Nooit meer Auschwitz’- lezing in het Tropenmuseum in Amsterdam. Aanvang 14.00 uur.

mailIcon print |