„Ja en nee", was het onduidelijke antwoord van componist Béla Bartók op zijn sterfbed in 1945, toen hem gevraagd werd of zijn Altvioolconcert speelklaar was. Ja, omdat de schets zo goed als klaar was – hetgeen Bartók in een brief aan altviolist en opdrachtgever William Primrose al meldde. Nee, omdat er nog veel aan moest gebeuren wat betreft instrumentatie en vorm.
Aan die taak wijdde Bartóks leerling Tibor Serly zich na de dood van zijn mentor, in wiens voltooide versie het Altvioolconcert postuum sinds 1949 de wereld veroverde. Serly zelf bleef als componist altijd in de schaduw staan, maar het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) presenteerde zijn bekendste muziek, de ’Rapsodie voor altviool en orkest’, samen met het Altvioolconcert. Serly’s ’Rapsodie’ klonk volks en springerig, een fijn openingsstuk dat met energie door het KCO werd uitgevoerd.
De jonge Britse altviolist Lawrence Power – in 1999 winnaar van de prestigieuze William Primrose International Viola Competition – debuteerde donderdag en vrijdag als solist bij het KCO. Met zijn heldere, luide klank had hij geen enkele moeite om het orkest in volume de baas te zijn.
In de ’Rapsodie’ bleek hij ritmisch niet heel sterk en zette Stenz alle zeilen bij om het KCO af te schermen. Met duidelijke inzetten voor solist en orkest probeerde Stenz onderweg regelmatig op reset te drukken, maar Power voer te veel op zijn eigen wankele kompas. Ook wat betreft muzikaal begrip en het vertellen van een verhaal in Bartóks Altvioolconcert mocht Power nog wat doorgroeien. In de stasis van het ’religioso’- middendeel voelde de solist zich hoorbaar het meest thuis; in het laatste deel worstelde hij met zijn intonatie.
Vanaf 1961 voerde het KCO twaalf werken van Ketting uit, meer dan van welke levende Nederlandse componist ook. Dat is goed te begrijpen, want Ketting levert altijd kwaliteit af, zijn instrumentatie is om door een ringetje te halen en hij sluit herkenbaar aan bij een welluidende traditie. Zijn recentste orkestwerk ’Trajecten’, was het dertiende uitgevoerde en vierde in première gebrachte werk door het Amsterdamse orkest.
Het vierdelige werk is niet Kettings sterkste. De orkestklank bleef licht door het ontbreken van fagotten en klarinetten, maar de jazz-achtig ingezette blazers – vaak in riffs, altijd als groep, altijd in lintharmonie – werden na één deel wat voorspelbaar. De citaten (Stravinsky, gamelan-Andriessen, Berg) klonken wat plichtmatig, het geheel wat ongeïnspireerd. Mooi en aangenaam van klank, dat wel. Met het kleurrijke vuurwerk van Kodály’s suite uit ’Háry János’ (geweldige altvioolsolo uit het orkest!) zette Stenz het KCO ten slotte knetterend op scherp.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.