De opbouw in Uruzgan verloopt traag, onder meer door slecht bestuur en de taliban. Toch ziet een Afghaanse hulpcoördinator vooruitgang.
„Nederland is een paradijs. Al dat groen, en dat water”, zegt Mohammad Sarwar Gizabi, terwijl hij naar buiten wijst. „Dat hebben we in Afghanistan niet”.
Sarwar (45) is de Afghaanse coördinator van het Nederlandse Consortium voor Uruzgan DCU, een samenwerkingsverband van enkele Nederlandse en Afghaanse hulporganisaties die werken aan de opbouw van de afgelegen en droge provincie. Hij is even in Nederland voor een aantal besprekingen en laat foto’s zien van schooltjes, waterputten en andere projecten.
Sarwar brengt een derde van zijn tijd door in Uruzgan, de rest in de hoofdstad Kaboel waar zijn gezin woont. Hij ervaart de provincie als relatief veilig. „Vanuit Afghaans perspectief is het niet gevaarlijk in Uruzgan”, zegt hij. „Afghanen zeggen dat het beter is in het vuur te zitten dan erbuiten, want dan weet je wat het is. Gevaarlijk is het overal in Afghanistan, zelfs in Kaboel. In Uruzgan is het zeker veiliger dan in de omliggende provincies.”
DCU kan zijn hulpprojecten relatief ongestoord uitvoeren, stelt Sarwar. Een keer is een jongensschool in Tarin Kowt in vlammen opgegaan, maar dreigbrieven, nachtelijke vlugschriften of bedreigende telefoontjes zegt hij nooit gekregen te hebben.
„In Uruzgan staan onze medewerkers aan andere bedreigingen bloot: bermbommen, criminele groepen en rebellen die langs de wegen opereren. Meermalen zijn mensen ontvoerd langs de weg van Kandahar naar Tarin Kowt, vooral beambten.”
De hulporganisaties onder de paraplu van DCU werken nu in drie van de zes districten van Uruzgan. Het streven is om ook projecten te doen in andere districten, maar door de afgelegen ligging is dit ingewikkeld.
DCU werkt ook in Gezab, een district in de aangrenzende provincie Daikundi, waar de taliban de scepter zwaaien. „Gezab staat niet onder controle van de Afghaanse overheid, maar we doen er wel een onderwijsproject” – uitgevoerd door Afghaanse hulpverleners, want voor buitenlanders zou het te gevaarlijk zijn.
De bedoeling is dat die lokale Afghanen nauw samenwerken met de gemeenschap. „Zo’n nauwe relatie is al 80 procent van de veiligheid. Let wel: ook de taliban kunnen er niet opereren zonder de steun van de bevolking. Er zitten daar meest lokale taliban, ook zij kunnen niet tegen de wil van het volk ingaan.”
Dat betekent niet dat er nooit iets voorvalt in Gezab, waar ook fanatiekere buitenlandse taliban zitten. Sinds maart 2007 zijn volgens Sarwar twee keer hulpverleners ontvoerd, die overigens niet voor DCU werkten. Beiden zijn vrijgelaten nadat familieleden druk op de taliban hadden uitgeoefend.
De wederopbouw in Uruzgan gaat niet zo snel als Sarwar wel zou willen. Ook met het lokale bestuur is het soms moeilijk zaken doen. „De overheid in Uruzgan werkt traag. Als er geld komt uit Kaboel, kan het lang duren voordat dat ook aan projecten wordt besteed. We zouden graag zien dat het allemaal sneller gaat.”
Sarwar bladert nog eens door zijn foto’s. Bij die van een centrum voor straat- en werkende kinderen in de hoofdstad Tarin Kowt stopt hij: zijn favoriete project. De kinderen leren er lezen en schrijven en krijgen allerlei beroepsopleidingen. Jongens kunnen loodgieter worden of elektricien, meisjes krijgen les in borduren of en naaien. „Dat kunnen ze later thuis doen, meisjes mogen het huis meestal niet uit”, vertelt hij.
„Jongens en meisjes hebben ook aparte ruimtes, want gemengd les in het traditioneel-islamitische Uruzgan is onmogelijk. Wij vinden dat kinderen de toekomst zijn van Afghanistan, en daarom willen we dit project graag uitbreiden. Kijk eens naar die blije gezichtjes”, wijst hij.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.