opinie Nee, ik voelde me niet bedrogen, ik kon het best billijken dat het kwartetje dat tijdens Obama’s inauguratie voor het oog van de hele wereld had zitten spelen in feite maar wat had zitten playbacken.
Het was nu eenmaal steenkoud geweest, misschien had het wel fataal kunnen uitpakken voor de dure instrumenten, was het een aanslag op de vingers van Yo-Yo Ma, Itzhak Perlman en de anderen, eerder weer om op je handen te blazen dan ze over snaren en toetsen te laten glijden. Toch was ik blij dat ik het Schindlers List-achtige stuk van John Williams niet heel erg mooi had gevonden en er geen traan bij had gelaten. Dat ik me niet had laten misleiden door de opgelegde emoties. Want het was natuurlijk best een beetje emotioneel allemaal. Ik had tijdens de plechtigheden rondgekeken zoals ik vroeger controleerde of mijn zusjes hun ogen tijdens het bidden wel dichtdeden: zag ik in mijn gezelschap hier en daar iemand wat wegslikken, de keel schrapen, een onverhoeds vuiltje uit het oog vegen? Emoties zijn rare dingen, iedereen heeft er last van, je houdt ze niet tegen maar ze zijn ook een beetje gênant.
Als ik een kerk betreed waarin iemand orgel zit te spelen, al was het maar om te oefenen, dan moet ik altijd heel erg mijn best doen om niet al te ontroerd te raken, krampachtig kijk ik omhoog of probeer houvast te vinden bij een onnozel ornament. Immers, als ik niet uitkijk komen de tranen. Waarom eigenlijk? Het moet iets uit mijn jeugd zijn. Misschien ben ik wat kwijtgeraakt dat daar onverwacht aangeraakt wordt. Of is het gewoon een kitsch-emotie, een brouwsel van het verhevene dat zich mengt met een gevoel van nederigheid? Of is het misschien de muziek, die schatplaats van onze gevoelens, die het ‘m doet? Ik kan een bibliotheek leeglezen zonder geraakt te worden, de hele Hermitage doorwandelen zonder dat ik een traan laat, daar ben ik werkelijk hard in, maar er is muziek waar ik niet tegen kan. Hoezeer ik het ‘Adagio for Strings’ van Samuel Barber ook heb leren verachten, het werkt bij mij nog altijd, aan het eind van The Elephant Man, in de film Platoon, en gewoon thuis. Of het ‘Pie Jesu’, van Fauré of van Andrew Lloyd Webber, idem dito: branderig gevoel in de ogen, stokkende stem, maar even strak naar beneden kijken.
Ik vermoed dat het de oude en beproefde combinatie van schoonheid en verschrikking is: wat is het hemels mooi en melancholiek, de mens sterft. De eerste keer dat ik het Kol Nidrei van Max Bruch hoorde, ook zo’n tearjerker, was in het legendarische tv-programma, Het Gat van Nederland, in een reportage over het slachten van een schaap. Het bloed gutste uit het beest en tranen gutsten uit mijn ogen, gedirigeerd door volmaakt cellospel. Daarom ook is Rutger Koplands beroemdste gedicht zo ironisch. Heel die vergankelijkheid kan hij zogenaamd aan, de dood en ondergang van alles: ‘Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.’ Ook Obama’s inauguratie was jonge sla, alles moest nog beginnen. Geen reden tot droefenis. Dapper zat ik in de huiskamer en pinkte geen traan weg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.