De buitenlandse overname van Essent en Nuon is het sluitstuk van de privatisering van de Nederlandse energiesector. Den Haag moet toekijken hoe regionale overheden de zeggenschap over onze energievoorziening uit handen geven. Waarom één sterk nationaal energiebedrijf er nooit kwam.
Protrans, ooit van gehoord? Onwaarschijnlijk. Maar veel had het niet gescheeld, of de energierekening op de mat was niet opgesteld door Nuon, Essent, Eneco of Delta, maar door Protrans, het nationale energiebedrijf dat er nooit is gekomen.
Protrans moest ooit de Nederlandse tegenhanger worden van grote Europese energiebedrijven als het Franse EdF en Gaz de France of het Duitse E.on en RWE. Als eigenaar van alle Nederlandse centrales en het netwerk. Dit was het opvallend linkse streven van Gijs van Aardenne, VVD-minister van economische zaken van 1977 tot 1981. Een staatsbedrijf zou het worden. Protrans kon ’op armlengte van het Binnenhof’ functioneren, bedacht Van Aardenne.
Voor stevige nationale grip op de Nederlandse energiemarkt was het hoog tijd. Daar was politiek Den Haag het eind jaren ’70 kamerbreed over eens. Schaalvergroting en professionalisering moesten een einde maken aan de ietwat kneuterige manier waarop de energiediensten tot dan toe lokaal werden geregeld.
Vanaf de jaren ’60 bestond de Nederlandse elektriciteitsmarkt uit elf stroomproducenten en maar liefst 160 lokale distributiebedrijven. Binnen de gemeentelijke energiebedrijven (GEB) hielden lokale bestuurders als volle aandeelhouders sinds jaar en dag de touwtjes stevig in handen. Zij regelden alles zelf wel. Was er een stroomstoring? Dan zat de burgermeester met bestuurders om de tafel op een oplossing te bedenken. Betaalde iemand zijn rekeningen niet netjes? Dan kwam de wethouder wel even kijken of het niet tijd werd de stroom af te sluiten.
In het boek ’Tegenpolen’ van Noud Köper vertellen oud-kopstukken uit de Nederlandse energiesector waarom die situatie schreeuwde om schaalvergroting en hervorming. „Een stel gedeputeerden of andere politieke vertegenwoordigers zat aan tafel om te besluiten over de bouw van een nieuwe centrale”, vertelt Stan Dessens, directeur-generaal Energie bij het ministerie van economische zaken van 1987 tot 1998. „Dat gebeurde natuurlijk niet op basis van bedrijfseconomische overwegingen, het ging vooral over de vraag welke regio aan de beurt was. Die bestuurders aan tafel wilden gewoon iets voor hun eigen regio in de wacht slepen, omdat ze behoefte hadden aan werkgelegenheid en economische activiteit.”
Het ontbreken van een landelijke visie in het Nederlandse energiebeleid wekte irritatie in Den Haag. Redelijke energiekosten voor de eindgebruiker en meer energiezekerheid waren voor de regionale overheden, die goed geld verdienden aan energieverkoop, geen prioriteit.
De Commissie Concentratie Nutsbedrijven (Coconut) onderzocht eind jaren ’70 of het samensmelten van de lokale energiebedrijven met sturing vanuit de regering dat kon verhelpen. Het landelijke samenwerkingsverband van stroomproducten en netbeheerder Sep – de voorloper van het huidige Tennet – verdienden volgens Coconut een voortrekkersrol in het aanmoedigen van fusies. Het was dit vooruitzicht waardoor Van Aardenne een kans zag voor de vorming van Protrans.
Zijn droom werd snel uit de wereld geholpen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Vereniging exploitanten van Elektriciteitsbedrijven Nederland, reageerden direct afkeurend. Nog heviger was de weerstand vanuit Zuid-Oost Nederland. De energiebedrijven in Brabant, Limburg, Overijssel en Gelderland wilden van fusieplannen niets weten. Zij opereerden van oudsher commerciëler, minder onder direct bewind van lokaal bestuur. Het idee alleen al, dat ’het westen’, waarvan Zuid-Oost Nederland toch al waardering miste, hun energieregie in handen zou nemen.
Van Aardenne moest zich erbij neerleggen: Protrans zou er nooit komen. In zijn voorontwerp Elektriciteitswet van 1986 deed hij daarom een stap terug: drie tot vijf Nederlandse energieconcerns moesten er komen. Vastgelegd werd dat de nieuwe energiebedrijven zich moesten houden aan het Nationale energieplan. Kon Den Haag geen grip krijgen op de sector, dan kon het nog wel kaders scheppen.
Medio jaren ’90 resulteerde de aangestuurde hervorming van de sector in de oprichting van ’de grote vier’: Nuon, Essent, Eneco en Delta, ieder met een eigen regionaal speelveld. Alleen bij het Zeeuwse Delta ligt dat netjes afgebakend. De andere bedrijfsterritoria zijn een lappendeken. Onder de Paarse kabinetten werd de koers op liberalisering en privatisering doorgezet.
De Elektriciteitswet uit 1998 dwong een steeds verdere zelfstandigheid van de bedrijven af. De productie van elektriciteit werd voor de grote vier overgelaten aan de vrije markt, waar concurrentie voor een eerlijkere en betere stroommarkt zou zorgen. De Elektriciteitswet was een keurige Nederlandse uitvoering van Europese regels, die marktwerking moeten bevorderen.
Hetzelfde geldt voor de huidige, zeer vlotte Nederlandse invoering van de zogeheten splitsingswet, ook een eis vanuit Brussel. De tweedeling van Nederlandse energiebedrijven in een productie- en leveringsbedrijf (PLO) en een netwerktak, rondt de privatisering van energiebedrijven af. Het energienetwerk blijft netjes in overheidshanden, zodat het eigenlijke stroombedrijf zich als private partij in de Europese markt kan storten.
Laurens Jan Brinkhorst, de toenmalige minister van economische zaken, en een meerderheid in de Kamer zagen daar in 2006 meer voordelen in dan nadelen. Dat energiebedrijven na opsplitsing kleiner zouden worden was duidelijk. Consolidatie werd als onvermijdbaar gezien, maar niet als ongewenst. Toen een fusiepoging tussen Nuon en Essent – om alsnog een soort Protrans te worden – mislukte, was duidelijk dat zich vroeg of laat een buitenlandse koper zou aandienen. Tegen grote Europese branchegenoten zijn de kleine Nederlandse concerns niet opgewassen. Zeker niet nu ze zichzelf, tegen hun wil in, in twee stukken moeten knippen.
Andere Europese lidstaten schikken zich op energiegebied namelijk niet zo netjes als Nederland naar de Europese wensen van marktwerking. Van het doorvoeren van de splitsingswet willen de grootmachten Duitsland en Frankrijk niets weten. Groot-Brittannië splitste zijn energieconcerns wel snel op en maakte mee wat Nederland nu te wachten staat. Niet opgesplitste grote buitenlandse concerns als RWE, E.on en ADF kochten de meeste Engelse branchegenoten op. Met uitzondering van het beursgenoteerde Centrica, dat als enig echt Brits stroombedrijf overeind blijft.
Zo weten Frankrijk en Duitsland met hun nationalistische opstelling hun macht op de Europese stroommarkt uit te breiden. Zij behouden de regie over hun eigen energiebelangen. Het Duitse E.on en het Italiaanse Enel liepen in 2006 aan tegen dat protectionisme. Hun overnamepogingen in Spanje en Frankrijk werden door de regeringen aldaar tegengehouden.
Anders dan in Nederland is de rijksoverheid daar wel geslaagd in het vormen van reusachtige staatsmolochs. Minister Brinkhorst had voorzien dat de kans op buitenlandse overnames door opsplitsing zeer groot werd. Maar zolang het netwerk publiek goed zou blijven had Brinkhorst geen enkel bezwaar tegen buitenlandse overnames.
Beurswaarde beantwoordt dan de laatste vraag: wie slokt wie op? Zelfs als Nuon en Essent samen waren gefuseerd, bleven ze een Europese middenmoter met een fictieve marktwaarde van 14 miljard euro. Ook dan had RWE (met een beurswaarde van 63 miljard euro) wellicht een bod uitgebracht.
Dus of Nederland er met een nationaal Protrans anders voor had gestaan, is maar zeer de vraag, want een echt grote speler was dat Europees bezien ook niet geweest. De verkoop van Nuon en Essent is meer het gevolg van de zelf verkozen snelle liberalisering van de Nederlandse stroomsector, dan aan het gemis van één overkoepelend nutsbedrijf.
Volgens voorstanders van de vrije markt – Essent en Nuon zelf ook – is het gunstig om op te gaan in een machtige buitenlands bedrijf. Zo zou meer geld beschikbaar komen voor verduurzaming van de energiemix en zou de toekomstige energiezekerheid in kannen en kruiken zijn. Toch woedt in de Tweede Kamer de discussie over Essent en Nuon hevig. Minister van economische zaken Maria van der Hoeven wordt door linkse fracties en andere oppositiepartijen opgeroepen om de ’uitverkoop van de Nederlandse energiesector’ te stopen. De SP claimt Essent, dat klaarstaat voor zijn koper RWE, als nationaal publiek bezit.
Formeel heeft deze politieke last-minute-call geen enkele waarde. Het zijn de regionale overheden, de grootaandeelhouders, die over de verkoop beslissen. Zij trekken hun eigen plan en hebben al lang bedacht hoe de miljoenen die zij uit de verkoop overhouden kunnen besteden. Voor Haagse bestuurders zullen ze weinig oor hebben. Net als vroeger.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.