*

 

Aart Kok 1921-2009

Esther Hageman − 02/02/09, 00:00

Overdag was hij leraar. Min of meer in stilte was hij dichter. Want Aart Kok, pseudoniem Bergman, liet zich nooit op zijn dichterschap voorstaan.

  • (Trouw)

In de vijf kamers van hun flat staan aan elke muur boekenkasten, hoog en vol. In de gangen ook. Beneden in de kelderbox opnieuw. Literatuur en historische boeken zijn het. Aart Kok was meer gesteld op het gezelschap van een boek dan op dat van vrienden.

Hij hield van literatuur en was zelf dichter. Niet dat je dat dichterschap vermoedde als je hem zag, met dat glad achterovergekamde plakhaar, die grote gestalte, die fikse buik. Op de middelbare school waar hij mavo-leerlingen aardrijkskunde en Nederlands gaf, De Populier in Den Haag, keken de vwo’ers, die literatuur ingegoten krijgen, ervan op als ze hoorden dat op de mavo een heuse dichter voor de klas stond. Zij kenden hem alleen van gezicht, of van een gedicht dat hij af en toe naar de schoolkrant instuurde, onder het pseudoniem ’Bergman’. Wat vreemd, dachten zij, dat hij helemaal niet lijkt op wat je je voorstelt bij het woord ’dichter’.

In de leraarskamer was de kloof tussen eerstegraads en minder hevig gediplomeerde docenten in die jaren nog allesbehalve gedicht. Aart Kok was, na de Mulo, in 1937 naar de christelijke kweekschool in Rotterdam gegaan en onderwijzer geworden. Nadat hij op een heleboel lagere scholen (Meteren, Overschie, Nunspeet, Leerdam, Den Haag) hoofd geweest was, stapte hij over op het voortgezet onderwijs. Met een hoofdakte mocht je immers op de mulo, later mavo, lesgeven.

Hij vond dat leuker. De collega’s waren beter opgeleid, hadden meer te vertellen. De sectie Nederlands schafte dertig exemplaren aan van een van zijn bundels (’De inhoud van het oppervlak’, 1975) zodat de poëzie van collega Kok ook klassikaal behandeld kon worden. Maar op het vwo, waar gedichten lezen er toen nog volop bij hoorde, gebeurde dat in de praktijk niet. En op de mavo viel het niet mee een klas warm te krijgen voor poëzie - ook niet als de leraar die geschreven had. Zelf noemde Kok zich trouwens nooit ’leraar Nederlands’. Vroeg iemand wat hij deed, dan zei hij dat hij aardrijkskunde gaf.

Zijn dichterschap was op z’n 21ste officieel met een eerste publicatie begonnen, na een jeugd als enig kind in een omgeving vol benepen calvinisme, eerst in Bergambacht en Ammerstol, vanaf 1929 in Rotterdam. Zijn vader liet de familietraditie van beroepen als mandenmaker, slootgraver, kippenslachter en sjouwer achter zich toen hij samen met zijn vrouw in de Rotterdamse Rozenburgstraat een kruidenierswinkel overnam.

De kleine Aart viel uit de toon in het milieu waarin hij was geboren: hij las dat de stukken er afvlogen en was vaste klant bij alle bibliotheken in de buurt. Lezen, dat was niks gedaan, vonden ze in zijn familie. Daar werd je veel te geleerd van. Aart Kok liet zich er niet door weerhouden en zoog alles op: van de kwatrijnen van Omar Khayyam en de uit het Chinees vertaalde poëzie van Li Bai tot Du Perron, Nescio, Elsschot.

Op de scholen waar hij lesgaf liet hij zich nooit voorstaan op zijn dichterschap. De poëzie, die was privé, niet iets om uitgebreid over te praten. Thuis kwamen zijn twee kinderen er pas achter dat hun vader dichter was toen ze al op de middelbare school zaten en er een briefje van Simon Carmiggelt arriveerde om te bedanken voor een bundel die ene Bergman had toegestuurd. Bergman? Is dat pa?

Op school had hij een ouderwetse stijl van lesgeven. Daar was hij aan het woord en moesten de leerlingen stil zijn. Voor dat tijdsgewricht was hij een goede leraar. Voor de aanpak van nu, vol ’zelfwerkzaamheid’, zou hij niet geschikt geweest zijn.

In de poëzie was hij een Einzelgünger. Met flinke intervallen verscheen vanaf 1950 telkens een bundel. Ik schrijf zo af en toe/wat onverhoedse zinnen/ik ben het kloppen moe/ik kom mezelf niet binnen, schreef hij jaren later.

Die eerste bundel (’Modus vivendi¿) kwam uit bij De Windroos, waar Guillaume van der Graft, Simon Vinkenoog, Jan Wit en J.W. Schulte Nordholt ook al waren verschenen. Aart Kok ging met de Windroosdichters mee naar poëzieavonden om eigen werk voor te lezen, maar tot een groep heeft Bergman nooit gehoord.

In het boekenweekgeschenk van 1975, de bloemlezing ’Bericht aan de reizigers’, nam samensteller C. Buddingh’ een gedicht van Bergman op: ’Reisbrief’. De enorme oplage van een boekenweekgeschenk maakte dat de twee eerste regels van dat gedicht bijna beroemd werden: Waarde vriend het is hier prachtig/de koeien zijn ontroerend drachtig. Het vleide Bergman wel; maar hij was ook heel boos toen Buddingh’ verderop in het gedicht bij het overtikken een fout gemaakt bleek te hebben. Er had moeten staan: men zegt god heeft ons klein gebouwd/maar sneed ons uit behoorlijk hout. Buddingh’ tikte in plaats daarvan ’bekoorlijk’. Bergman kwam er maar moeilijk overheen.

De leraar Kok ging in 1982 met vut. Met zijn vrouw, Jo van Leeuwen, maakte hij vele reizen, waarvan ze ieder een eigen plakboek maakten. Zo was hun huwelijk: hecht, maar elk met een eigen leven. Hoe lang ik ook met hem getrouwd ben, zei zijn vrouw weleens – ze waren in 1951 in het huwelijk getreden – soms heb ik z’n gebruiksaanwijzing er nog bij nodig. Aart Kok was gesloten, vertrok na de maaltijd naar zijn kamer, deed zijn schoolwerk, schreef en las, las, las.

De dichter Bergman bleef nog jaren actief en waagde zich zelfs een paar maal aan proza. In 1985 verscheen een bundel aforismen. In de Privé-Domeinreeks kwam het autobiografische ’De tijd te lijf’ in 1994 uit, waarin hij met afgemeten zinnen zijn jeugd beschreef: „Door een speling van het lot werd ik geboren in Bergambacht, het dorp van mijn moeder. Koeien, geld, behoudzucht en de stem van een vertoornde God.” Een monument voor een verdwenen tijd, oordeelde Trouw. Het boek bracht het een jaar later tot de eerste selectie (’longlist’) voor de AKO-literatuurprijs, maar de 100.000 gulden prijzengeld ging uiteindelijk naar Connie Palmen, voor ’De Vriendschap’. En begin 2008 verscheen ’Sprekend mijzelf’. Daarin staat zijn eigen keus uit eerdere gedichten – het gedeelte waarvan hij vond dat het de tijd had doorstaan. Ook stonden er gedichten in die hij ooit had opgestuurd naar Buddingh’, maar die waren blijven liggen. Na diens dood vond Buddinghs biograaf ze.

Half juni viel Aart Kok in een supermarkt plat achterover, lag twee weken in het ziekenhuis, kwam thuis met een rollator en werd steeds suffer. Eind augustus, er bleek vocht in zijn hersenen te zitten, onderging hij een operatie die dat moest verhelpen. Een herfst vol lijden volgde. Hij wilde liefst naar huis en was daar ook een tijdje, maar hij las niet meer, had Radio Vier niet meer aan en eten smaakte nergens meer naar. Toen het thuis niet meer ging verhuisde hij naar een verpleeghuis.

Je hebt het voor jezelf afgesloten hé, zei zijn vrouw tegen hem. Dat is het juiste woord: afgesloten, zei hij.

Aart Kok werd op 11 september 1921 geboren in Bergambacht. Hij is op 12 januari 2009 overleden in Den Haag.

mailIcon print |