*

 

Geertje Visser-Schuitemaker 1913-2008

Esther Hageman − 02/02/09, 00:00

Ze noemde zichzelf vaak ’een gewoon boerenmeisje’. Maar als het om de zorg voor gehandicapten ging, had ze eigenlijk meer van een terriër.

  • (Trouw)

Het huis in Bovenkarspel was nog niet af. Zo kwam het dat Geertje Schuitemaker in het ouderlijk huis van haar vader werd geboren, in Enkhuizen, niet in het nieuwe huis van haar pas getrouwde ouders. Ze kwam in dezelfde wieg te liggen, in dezelfde kamer, als destijds haar vader.

Vader handelde in hout en ze bewoonden een boerderij. Maar als Geertje later zei „ik ben maar een gewoon boerenmeisje”, en dat zei ze nogal eens, dan klopte dat ook om die reden niet helemaal.

De vrijheidsdrang van Geertje Schuitemaker was al vroeg duidelijk. Ze herinnerde zich als volwassene nog levendig hoe vreselijk ze het had gevonden dat ze als zuigeling ingebakerd was, en hoe ze al met 2,5 jaar, en later als puber, de wijde wereld in wilde. Ze ging bijvoorbeeld graag uit logeren.

Na de huishoudschool ging ze, op haar zeventiende, in Den Haag werken als leerling-verpleegster in de psychiatrie, in Rosenburg. Eigenlijk wilde ze niet speciaal de psychiatrie in, maar de wijkverpleging. De wijkverpleegster in de buurt van Bovenkarspel was namelijk zo’n aardig mens. Dat ze in Den Haag terechtkwam lag aan een andere toevalligheid: dat haar ouders daar via hun Esperanto-hobby mensen kenden.

Maar de psychiatrie-verpleegkunde boeide haar. Het waren de jaren dat voor het eerst ideeën kwamen bovendrijven om psychiatrisch patiënten niet de hele dag doelloos voor zich uit te laten kijken, maar iets aan ’arbeidstherapie’ te doen. Maar jaren later zou ze zeggen dat werk in de psychiatrie eigenlijk niet geschikt is voor al te jonge mensen. Niet voor zeventien-, achttienjarigen.

Op Rosenburg werkte ook een ’rentmeester’ – economisch directeur, zou je nu zeggen – wiens oog aan Geertje bleef haken. George Visser (eigenlijk was zijn voornaam Huite) was gescheiden, had een zoon en een dochter uit z’n eerste huwelijk en was van oorsprong militair, majoor bij de infanterie. Halverwege de jaren twintig was hij gedecoreerd nadat hij had meegeholpen relletjes neer te slaan in Assen - communistische rellen. Hij was twintig jaar ouder dan Geertje Schuitemaker.

Voordat ze trouwden woonden ze eerst een tijdje ongehuwd samen. Voor Geertje betekende het huwelijk het einde van haar loopbaan in de verpleging. Ze gingen wonen in een groot huis in de toen gloednieuwe Haagse wijk ’Bohemen-links’.

George deed, als oud-militair, verzetswerk toen de oorlog kwam. In de zomer van 1942 moest hij onderduiken. Op haar verjaardag, de kamer zat vol visite, stond de SS op de stoep, op zoek naar haar man. Die was er niet. Ze kreeg het bevel zich ’s avonds te melden en ze mocht het huis niet verlaten. Ze vertrok toch, de visite in huis achterlatend. Die werd ’s avonds ingerekend, maar omdat ze van niets wisten werden ze ook weer losgelaten. Het huis werd verzegeld. Geertje keerde er een paar keer stiekem terug om spullen weg te halen maar werd de tweede keer betrapt en, toen ze via het balkon vluchtte, beschoten.

George Visser werd na de bevrijding commandant van het interneringskamp Duindorp, een wijk van Scheveningen die tijdens de oorlog als onderdeel van de Atlantikwall door de Duitsers ontruimd was en die nu, met drie rijen prikkeldraad eromheen, dienst deed als opbergplaats voor ’foute’ Nederlanders. In de jaren zeventig zijn de omstandigheden in zulke kampen onderzocht door de jurist A.D. Belinfante, die vaststelde dat de Nederlanders met hun gevangenen niet zachtzinniger waren dan de Fransen in Algerije of later de Amerikanen in Vietnam. Maar George Visser was niet lang commandant. In maart 1946 was hij aan vakantie toe omdat zijn functie zwaar op hem drukte. Tijdens die vakantie overleed hij aan een hartstilstand, 53 jaar oud. Geertje zat nu in haar eentje in het grote huis, maar kreeg twee gezinnen als inwoners toegewezen. Toen de woningnood weer een beetje geluwd was nam ze haar ouders bij zich in huis. En er was een vriendin die ooit ’voor tijdelijk’ woonruimte had gezocht, maar die 23 jaar bleef.

Ze kreeg een behoorlijk pensioen, maar ze was nog jong en vond dat ze er iets tegenover moest stellen. Bij de Stichting ’40-‘45 stond ze oorlogsweduwen bij om financiële steun aan te vragen, maar vooral werd ze actief bij de UVV, de unie van vrouwelijke vrijwilligers.

Gehandicapten konden niet op vakantie – en Geertje Schuitemaker-Visser was een van de eersten die inzag dat daar iets aan moest gebeuren. Als een leeuwin stortte ze zich op het probleem, te beginnen met polio-patiënt René, van Franse origine en een van de slachtoffers van de polio-epidemie van 1957. Hij lag in het Zuidwal-ziekenhuis en kon alleen zijn hoofd wat bewegen en slikken. Geertje kwam hem met regelmaat voorlezen, stelde vast dat zijn gebit verwaarloosd was – en charterde een neef die tandarts was om dat te verhelpen. Ze regelde een ambulance, een monteur voor het bed en de beademingsapparatuur, een longarts voor als er zich een probleem mocht voordoen en een verpleegkundige. Zo kwam ze met René bij haar neef, de tandarts. Vele behandelingen later was zijn gebit weer in orde.

Met dezelfde vasthoudendheid regelde ze dat René zijn familie in Frankrijk kon opzoeken. Ze hield er de eigenaardigheid aan over dat ze, waar ze ook kwam, altijd controleerde of er wel een gehandicaptentoilet was. Zo niet, dan sprak ze er het hotel of restaurant direct op aan.

Haar grote liefde ontmoette ze pas toen ze al dik in de zeventig was. Ze overwinterde in Zuid-Frankrijk, leerde een echtpaar kennen waarvan de vrouw MS had, de vrouw overleed en opeens ontvlamde er een late liefde. Met Jan Kool, een Nederlander die in Frankrijk fortuin had gemaakt met landbouwmachines, was ze in Juan-les-Pins vijf jaar gelukkig. Tot ook hij overleed.

Terug in Nederland, terug in het grote huis, vulde ze haar bestaan met een druk sociaal leven, twee beleggingsclubs, ging naar alle premières van het Nationale Toneel en begon nieuw vrijwilligerswerk.

In de grote Toyota van Jan, die ze voor geen goud wegdeed, haalde ze elke twee weken twee psychiatrisch patiënten op die nooit bezoek kregen en ging met hen lunchen en zeelucht opsnuiven. Als ze voor haar rijbewijs gekeurd moest worden zette ze de arts onder druk: geen verlenging? Maar dan kan ik niet meer met mijn ’patiënten’ rondrijden!

Zomer 2006 kreeg ze haar eerste herseninfarct. In de ruim twee jaar die volgden herhaalden ze zich. Ze verhuisde naar een serviceflat en van daar naar een verpleeghuis. Van een rollator schoof ze op naar rolstoel en bed. Ze kreeg iedere dag bezoek van vrienden en kennissen, maar verlangde naar het einde. Haar as, zei ze, moest „desnoods met illegale middelen" in het graf van haar grote liefde Jan Kool terechtkomen.

Geertje Visser-Schuitemaker werd op 27 juli 1913 in Enkhuizen geboren. Ze is 22 december 2008 in Den Haag overleden.

mailIcon print |