*

 

Hysterische vrouwen en hun dode baby’s

Seije Slager − 30/01/09, 00:00

Het nieuws van vandaag heeft voorgangers in de geschiedenis. Dendermonde treurt om vermoorde baby’s. Babymoord was lang een van de grootste sociale problemen van Europa.

In 1721 werden in de Franse stad Rennes bij een reparatie aan een riool tachtig babylijkjes aangetroffen. Het zorgde voor opschudding, maar was niet eens zo’n ongebruikelijke vondst als we nu zouden denken. ’Infanticide’, het ombrengen van een pasgeboren baby door de moeder, was in Europa tot in de eerste helft van de twintigste eeuw een vrij wijdverbreide gewoonte.

Hoe wijdverbreid precies, dat laat zich lastig beantwoorden. Als er statistieken werden bijgehouden, waren die onbetrouwbaar, en onderschatten ze het probleem. De kindersterfte lag sowieso hoog, dus wie het een beetje handig aanpakte, hoefde niet te worden gesnapt. Om iemand voor babymoord te veroordelen, moest een arts bovendien bewijzen dat de baby niet doodgeboren was. Daarvoor bestonden onbetrouwbare – en onsmakelijke – proeven. Zo ontwikkelde Jan Swammerdam in 1677 de methode om de babylongen in water te leggen: als die bleven drijven, had het kind kennelijk geademd, en dus geleefd.

Tussen 1837 en 1866 onderzocht de Parijse forensisch arts Ambroise Tardieu 1244 babylijkjes van wie verondersteld werd dat ze vermoord waren; ruim 40 per jaar dus. In 1862 werd er om de dag een dode zuigeling gevonden in de straten van Londen. In niet minder dan tachtig procent van de gevallen waarin lijkschouwers in Engeland en Wales in die jaren moord vaststelden, ging het om de moord op een zuigeling.

Er waren ook subtielere manieren om van ongewenst kroost af te komen. De ’voedstersindustrie’ tierde welig in de negentiende eeuw, en die kende nare uitwassen. Bij sommige zoogvrouwen stierf zo’n 90 procent van de zuigelingen, stelde een geschokte Britse parlementaire onderzoekscommissie in 1871 vast. Baby farming, heette dat. De ouders kwamen zo voor een zacht prijsje af van een extra mond om te voeden.

Maar wat voor moeder doodt haar kind? Joost van den Vondel wist het in 1617 nog zeker: „’T zijn hoeren die haer lief onechtelijck omarmen. Maer duyvels die de vrucht haers lichaems niet beschermen.” Duivels dus. Het waren ook de tijden dat een moeder die veroordeeld werd voor kindermoord nog vaak als heks een marteldood stierf.

Rond 1800 was de moeder die haar kind doodt ineens hét thema van de Duitse literatuur geworden. Goethe in Faust, Schiller in Die Kindesmörderin, en in hun kielzog een stoet B-auteurs, allemaal gaven ze een stem aan eenzelfde soort vrouw. Niet meer de ’duyvel’ van Vondel, maar een braaf meisje dat verleid wordt, zwanger raakt, in verlegenheid wordt gebracht door de schande van een onwettig kind, en het na de bevalling in een vlaag van verstandsverbijstering doodt.

Deels een stereotiepe mannelijke fantasie, in een tijd dat het beeld van de ’hysterische vrouw’ populair wordt. Maar gebaseerd op bepaalde feiten: in de negentiende eeuw waren negen van de tien veroordeelde kindermoordenaars dienstmeisjes die een onwettig kind hadden gebaard, een schande die destijds uitsluitend de vrouw werd aangerekend, niet de mannelijke verwekker. In België verbood de wet zelfs onderzoek naar wie de vader was.

De literaire hausse valt samen met een explosie van maatschappelijke bezorgdheid rondom het thema. Kant, Voltaire, Beccaria, alle grote denkers van de Verlichting bogen zich over het vraagstuk van de kindermoord. En net als de literatuur, werd ook het maatschappelijk klimaat milder voor de ’gevallen vrouwen’, die in wanhoop hun kind doodden. In de negentiende eeuw werden veel overduidelijk schuldige vrouwen vrijgesproken door jury’s, die in zo’n geval liever geen doodstraf op hun geweten hadden.

Pas in de twintigste eeuw raakte babymoord in onbruik, ongeveer tegelijk met het verdwijnen van het beroep ’dienstmeisje’. Nog in 1899 tekende Richard Roland Holst een aanklacht tegen de vele baby’s die in de gracht gedumpt werden: ’Het riool braakt zijn ellende’.

mailIcon print |