Met een kritisch boek over de PvdA-top en Bos in het bijzonder slaat de opgestapte minister Ella Vogelaar terug.
„Lief, in geen geval janken, straks. Niet janken.” De partner van Ella Vogelaar drukt haar op het hart, vlak voor haar aankondiging te zullen aftreden, de emoties niet de vrije loop te laten. Want ze zal er nog jarenlang mee geconfronteerd worden, realiseert hij zich snel. „Ik herinner me nog de tv-beelden van een huilende Elske ter Veld, toen die moest aftreden.”
Van het gezicht van Vogelaar was het ongeloof af te lezen toen partijleider Wouter Bos, partijvoorzitter Lilianne Ploumen en fractievoorzitter Mariëtte Hamer haar op die donderdagavond 13 november 2008 tot aftreden dwongen en ze even later met ingehouden emotie de pers te woord stond. Ze was naar het gesprek gegaan in de ’volle overtuiging dat ik het gesprek nog kon doen kantelen’.
Maar het drietal had besloten dat Vogelaars rol was uitgespeeld in het integratiedebat. De twee dames, Hamer en Ploumen, trokken hun handen van haar af. Bos had voorbeeldbrieven meegenomen van andere ministers die ooit hun ontslag hadden aangeboden. De opvolger stond in de coulissen al klaar.
Deze passage in het dagboek ’Twintig maanden knettergek’, geschreven door haar partner Onno Bosma en dat vandaag verschijnt, typeert in zekere zin de ietwat naïeve en koppige Ella Vogelaar. Ondanks de beroerde beeldvorming in vooral de rechtse media die haar te soft en te multiculti vonden, ondanks de vele signalen van vrienden en partijgenoten en ondanks de serieuze waarschuwingen van de PvdA’ers die zich in en rond het integratiedebat bewogen, dacht Vogelaar dat ze het tij kon doen keren. Ze was echter, in de ogen van de partijtop, van een oplosser van de integratieproblematiek onderdeel van het probleem geworden.
Driekwart jaar daarvoor had Wouter Bos haar al gewaarschuwd, schrijft Bosma. „We staan er electoraal grofweg voor als in 2002: zetels beneden de twintig en in de beeldvorming soft op integratie”, laat hij Bos tegen Vogelaar zeggen. Die op haar beurt Bos probeert te overtuigen dat zij juist de partijlijn vertegenwoordigt. Ze zal proberen de autochtonen voor zich te winnen, belooft ze. „Dat is je geraden ook, ik heb je niet voor niets gevraagd’’, is zijn reactie.
In dat gesprek worden ze het niet eens over een gezamenlijke aanpak en strategie, zoals ze eigenlijk vanaf het begin van haar aantreden als minister wonen, wijken en integratie het in feite nooit met elkaar eens waren. Bos en Vogelaar zaten elkaar meer in de weg, dan dat ze samen ’de belangrijkste sociale kwestie van deze tijd’ (woorden Bos) gingen oplossen. Als minister van financiën gaf Bos haar geen middelen om de wijken aan te pakken, als partijleider wilde hij een veel hardere koers dan Vogelaar, die steeds ook de positieve kanten benadrukte. „Zij is vooral de minister van allochtonen maar niet van autochtonen”, luidde één van de bittere conclusies. Kortom: Bos had haar verkeerd gescout.
De onlangs gepubliceerde ’harde’ integratienota komt wat dit betreft regelrecht voort uit het voornemen van Bos om de autochtone kiezer terug te winnen. Vogelaar kon en wilde niet in dit veel hardere geluid mee gaan.
Haar partner beschrijft de vele loodgieterstassen die dag in dag uit in huis kwamen, de paar uurtjes slaap per dag die Vogelaar zich maar gunde. „Ik ben kapot”, zegt ze begin 2008. Haar moeheid komt vaak terug in het boek. Maar ze had ook een cruciaal advies van haar politiek gewiekste voorganger Winsemius genegeerd. „Tachtig procent van je stukken blind tekenen”, had hij haar toevertrouwd en concentreer je op de politiek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.